U bent hier

Analyse over derde tussenadvies van curriculumcommissie

Op verzoek van de Tweede Kamer geeft een wetenschappelijke commissie onder voorzitterschap van prof. dr. Roel Kuiper verschillende adviezen over de opbrengsten van het traject om te komen tot nieuwe kerndoelen, eindtermen en een nieuw curriculum (Curriculum.nu). Na de eerste twee tussenadviezen van begin dit jaar stuurde minister Slob op 9 juli weer een aantal producten van de Commissie naar de Kamer: het derde tussenadvies over de bijstelling van de examenprogramma’s en de al eerder aangekondigde verdiepende studie over kansengelijkheid en het curriculum.

In het derde tussenadvies, Examenprogramma’s in perspectief, adviseert de commissie over de bijstelling van de examenprogramma’s voor de bovenbouw van het funderend onderwijs. Ze constateert dat, net als voor de bijstelling van de kerndoelen, voor de bijstelling van deze programma’s een kader nodig is met onder meer de volgende uitgangspunten: een gedeelde architectuur, een eenduidige definitie van eindtermen, een breed en gevarieerd curriculum, inrichtingsvrijheid van scholen en aandacht voor kansengelijkheid.

Aanloop naar het eindexamen

De curriculumcommissie wijst erop dat het beeld niet moet zijn dat de hele bovenbouw in het voortgezet onderwijs “vooral een aanloop is naar het eindexamen”, waarbij het vooral gaat om het beheersen van het toetsmateriaal (strategisch gedrag). Ook in deze fase hebben leerlingen recht op onderwijs dat de volle breedte beslaat en gaat het om kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Daarom zou ook de rationale, die gaat over het waartoe van het onderwijs en waarover de commissie in haar eerste twee tussenadviezen al schreef, moeten worden toegepast bij het vormgeven van de eindtermen en de examenprogramma’s.

In dit licht wijst de commissie op de eigen plaats van het schoolexamen, waarin de inrichtingsvrijheid van scholen centraal staat, naast het centraal examen, waarin de stelselverantwoordelijkheid van de overheid centraal staat. Zeker wanneer het CE als het belangrijkste examen wordt gezien dreigt het SE “soms een vooroefening te worden van het CE” met een versmalling aangeboden onderwijs tot gevolg. Wat de curriculumcommissie betreft wordt het SE juist “complementair” ingezet “om brede vorming in de examenprogramma’s invulling te geven.” Scholen zouden aangemoedigd moeten worden om meer werk te maken van het SE. Dat sluit ook aan bij de constatering van de commissie dat “het in het Nederlandse stelsel de school is die een visie op onderwijskwaliteit en op de toetsing realiseert.” Juist het SE leent zich voor examinering op de domeinen persoonsvorming en (deels) socialisatie.

Kansengelijkheid

In de verdiepende studie Kaders voor kansen gaat de wetenschappelijke curriculumcommissie, vanuit een “egalitaire visie” op kansengelijkheid (dat wil zeggen dat leerlingen gelijk moeten kunnen eindigen, dat is iets anders dan de meritocratische visie die uitgaat van gelijke startkansen) in op de rol van het curriculum in het bieden van gelijke kansen. Zij is namelijk van mening dat “de school kan bijdragen aan verbetering van kansengelijkheid door het maken van onderbouwde curriculaire keuzes.”

De commissie constateert dat leerlingen uit “dominante sociaaleconomische en etnische groepen” op school als het ware een thuiswedstrijd spelen. Voor andere leerlingen is er juist sprake van een voortdurende discontinuïteit tussen thuis en school, wat een negatieve invloed heeft op onderwijskansen. Voor kansengelijkheid is allereerst “culturele sensitiviteit” nodig, zodat verschillen een plek krijgen, aldus de commissie. “Een belangrijke stap hierin is het landelijk curriculum te diversifiëren” naar inhouden en perspectieven en daarbij stereotypen en vooroordelen terug te dringen. Ook wijst de commissie op het belang van de onderwijsstructuur. Vroege selectie en sterke differentiatie tussen verschillende schooltypen. Vanuit curriculair perspectief is een inrichting van belang die ‘stapelen’ mogelijk maakt.

Uiteindelijk komt de commissie tot een aanzet voor een beoordelingskader voor een curriculum dat kansengelijkheid bevordert en dat niet alleen op landelijk niveau gebruikt zou moeten worden, maar ook bij de curriculumontwikkeling op scholen.

Traject

In de brief waarmee minister Slob het derde tussenadvies aanbiedt aan de Tweede Kamer schrijft hij dat de curriculumbijstelling in een impasse verkeert. Behoudens enkele urgente vakken die op verzoek van de Kamer versneld worden bijgesteld, ligt het traject stil. In het vervolg wil de minister de bijstelling van de examenprogramma’s en de bijstelling van de kerndoelen losknippen en bovendien voor de bovenbouw slechts met enkele urgente vakken (Nederlands, wiskunde, moderne vreemde talen, maatschappijleer en de bètavakken) starten. De kerndoelen voor het po en de onderbouw van het vo zullen wel gelijktijdig bijgesteld worden, maar op een kleinschaligere manier dan in de vorige fase, om scholen deze periode maar beperkt te hoeven belasten. Hij vraagt de Kamer hem op korte termijn ruimte te geven om de aanpak voor het bijstellen van de kerndoelen verder vorm te geven. Hij moet die toestemming wel vragen, want de Kamer heeft het curriculumtraject controversieel verklaard.

Benieuwd naar de uitgebreidere analyse van Examenprogramma’s in perspectief en Kaders voor kansen?

Download de volledige analys

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs