U bent hier

ALV Verus Prof. Gert Biesta wil de balans in het onderwijs terug

De najaarsvergadering van de leden van Verus, vorige week in Baarn, ging voor een belangrijk deel over Gert Biesta’s zorgen over het gesprek dat over het onderwijs gaande is. Hij deelde zijn zorgen met Christien de Graaff, Rion Pennings en Koos Neuvel, drie bestuurders uit respectievelijk het middelbaar beroepsonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs. Over een unieke en complexe handeling die onderwijzen is, want zo stelt Biesta het onderwijs voor.

Twee meesters dienen

Gert Biesta, die onder meer researchprofessor aan de Brunel University London is, vertelt dat hij zich zorgen maakt over het gesprek dat gaande is over ons onderwijs. Eén stem, die van de samenleving, begint te overheersen, terwijl de tweede stem, die van het onderwijs zelf, niet voldoende wordt gehoord. 

Het onderwijs heeft twee stemmen, twee meesters, legt hij uit. De eerste is de samenleving die, naar mate zij complexer wordt, natuurlijk iets van het onderwijs mag verwachten. Maar we mogen niet vergeten dat het onderwijs ook een eigen plek is, een oefenplaats, een ruimte tussen ‘thuis’ en de ‘straat’, die afgeschermd moet worden van de eisen van beide. Dit is de tweede meester van het onderwijs, die dus in de verdrukking is gekomen. Zo raakt onderwijs uit balans, stelt Biesta. Wat moeten we doen om deze weer te herstellen?

Vier lastposten

Het onderwijs voert dus twee agenda’s, en zo hoort het. Maar de ene lijkt niet opgewassen te zijn tegen de andere. De tweede, die van het onderwijs zelf, heeft last van vier verschijnselen die bij de eerste agenda vandaan komen.

  • Goede bedoelingen
    De samenleving borrelt van opvattingen over goed onderwijs. “Iedereen wil dat het onderwijs beter wordt, maar wat dat betekent en hoe dat zou moeten, lopen de meningen zeer uiteen”, zegt Biesta.
  • Modes
    Alles in het onderwijs lijkt vernieuwd en veranderd te moeten worden, maar zal dit allemaal ook verbetering brengen? Biesta verwijst naar een zekere George S. Counts die als lijfspreuk voerde: “Ik ben een conservatief; ik geloof in het behoud van radicale ideeën.”
  • Onhandige taal 
    De professionele taal over onderwijs wordt verdrongen door een beleidstaal die bovendien ‘leren’ en niet ‘onderwijzen’ als onderwerp heeft. De jonge mens op school is vooral een leerling; de school zelf vooral een leeromgeving. De leraar ondersteunt het leren. Onderwijs aan volwassenen wordt geïnterpreteerd als een leven lang leren. 
  • Halve waarheden
    Slogans zoals ‘kennis is snel verouderd’, ‘21st century skills’, ‘de samenleving verandert snel’ en ‘weg met het onderwijsbestel’ zijn eenzijdig, ze zijn half waar, volgens Biesta. Veel verandert maar opvallend genoeg veel ook niet. Hij wijst op zaken die met leven en samenleven te maken hebben. De kennis daarover is niet zomaar onbelangrijk geworden, denk aan de roep om democratie, het behoud van de aarde en de zorg voor anderen, kinderen en ouderen met name. 

Wat onderwijs is

Op school gaat het volgens Biesta niet om het leren als zodanig. Neen, de school heeft een bepaald oogmerk. Er moet ‘iets’ geleerd worden, de school heeft daar een bedoeling mee. Bovendien moet het zo zijn dat de kinderen en de jongeren van iemand leren, de leraar.

Anders gezegd: het onderwijs heeft drie dimensies: de inhoud van het onderwijs, zijn doel en de relaties op school. Die drie zijn te onderscheiden, maar niet te scheiden. Dit komt voortdurend op het bordje van de leraar terecht. Daarom is onderwijzen een unieke en complexe handeling. Biesta stelt dat met de taal over het leren het “lastiger” is om de drie dimensies in de gaten te houden. 

Vervolgens moet de vraag naar het doel van het onderwijs centraal staan. Biesta: “Als je niet weet wat je wilt bereiken, kun je niet beslissen wat de meest geëigende inhoud is, hoe relaties het best ingezet kunnen worden en welke vormen het meest geëigend zijn.” Maar bij de bepaling van het doel zijn er ook daar drie dimensies, namelijk: kwalificatie (kennis en vaardigheden), socialisatie (van tradities en praktijken) en subjectivering (persoonsvorming). Biesta dringt erop aan om voor deze drie aspecten expliciet verantwoordelijkheid te nemen. Hij vertelt dat in veel onderwijsonderzoek onvoldoende aandacht is voor dit inzicht, namelijk dat goed onderwijs driedimensionaal denken en doen vraagt.

Een waagstuk

Het onderwijs gaat dus over intenties, het wil iets bereiken. Tegelijkertijd moet het terughoudend zijn, aldus Biesta, die over deze spanning drie vragen stelt.

  • Wat willen we met de jonge mensen bereiken wat betreft kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming?
  • Wat is de meest geëigende manier om dit te doen? 
  • Hoe om te gaan met de vanzelfsprekende spanningen tussen kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming?

Hij zegt: “Het onderwijs wil veel van het kind en voor het kind, maar als al het onderwijzend en opvoedend handelen uiteindelijk uit is op de zelfstandigheid van het kind en jongere, dan is die intentie ‘gebroken’.” Met het bekende gezegde: je kunt een paard wel naar de waterplaats brengen, maar of het gaat drinken, is maar de vraag. Het kind moet uiteindelijk zelf handelen, zelf verantwoordelijkheid nemen. Of dat gaat lukken is een open vraag, aldus Biesta. Daarom is onderwijs een risico, of beter uitgedrukt: een waagstuk.

De echte basics

Biesta wijst op invloed van het economisch denken op het onderwijs. De nadruk op competitie, op overleven als land. Dat zou om een focus vragen op de basisvaardigheden, zoals taal en rekenen. Maar wat hem betreft zou het onderwijs aan andere belangen moeten refereren: democratie, ecologie en zorg. 

Hij schuift een ander paneel naar voren, dat van ‘leven’. “We moeten zicht houden op waar het echt om gaat”, zegt hij. In plaats van een overlevingsstrategie, waar de 21st skills voor bedoeld lijken te zijn, moeten wij een leven proberen te leiden dat over samenwerking, solidariteit en dialoog gaat, andere basics. “Van overleven naar leven.” En, zegt hij: “Niet aanpassen aan alles om je heen, maar steeds de vraag stellen of het de moeite waard is je eraan aan te passen.” Dit vraagt om andere kwaliteiten. Wat betekent dit voor de school?

Pedagogische opgave

De school moet, volgens Biesta, bij het kind verlangen wekken “om op een volwassen manier in de wereld te willen zijn”. Voor ieder van ons geldt de vraag: is wat ik wens en verlang, wenselijk voor mijn eigen leven en dat met anderen op deze planeet? We zouden onszelf niet in het centrum moeten plaatsen. Wij zouden daar uit moeten stappen. 

Het is een taak van de school om met deze levensopvatting de jonge mensen verder te brengen. 

Niet alle talenten willen ontwikkelen maar alleen de goede, de ‘juiste’, namelijk die die volwassen in-de-wereld-zijn mogelijk maken. Het vraagt om een onderbreking van met-jezelf-zijn. Hij noemt dit een pedagogiek van de onderbreking. Daar moet tijd en ruimte voor zijn.

Het is duidelijk dat jonge mensen niet door het onderwijs geproduceerd kunnen worden. De school moet zich in de praktijk voorzichtig opstellen, hetgeen weer niet betekent dat ze zich aanpast bij waar het kind is. Tussen haakjes: dat is het probleem met diagnostiek. De school moet pedagogisch zijn, moet aanspreken, uitdagen, moet verlangen opwekken bij het kind. Ze doet dit in vertrouwen, in de toekomst en in het kind, aldus Biesta, die dit een scheppend werk noemt. Als daarvoor weer een plek komt, komt het onderwijs misschien weer in balans.

Praktijk

De drie schoolbestuurders Rion Pennings, Christien de Graaff en Koos Neuvel herkennen de analyse van Gert Biesta en kunnen er wel mee instemmen. Maar het is ingewikkeld om bij te sturen. 

Neuvel kent de docenten die inderdaad multidimensionaal werken, maar niet iedereen doet dit. Er zijn ook leraren die het onderpresteren van leerlingen voor lief nemen. ‘Meer zit er niet in.’ Daar wil hij zich niet bij neerleggen. 

Pennings vindt dat de maatschappelijke druk op het speciaal onderwijs goed is geweest. Hierdoor is de kwalificerende functie van dit onderwijs veel meer onder de aandacht van de leraren gekomen. Maar dit mag niet naar een nieuwe disbalans leiden.

De Graaff stelt dat de drie dimensies van onderwijs in het mbo van elkaar zijn losgezongen. En dat de antwoorden van het veld op de steeds intensievere overheidsbemoeienis teveel in organiseerbaarheid zijn gezocht. Het ‘waartoe’ is onderbelicht. Maar Biesta vindt ze erg ambitieus. De Graaff wil voor bescheidenheid pleiten. Ze wijst op grote verschillen tussen niveau en achtergrond van de studenten van haar onderwijsinstelling. Zij vraagt om realisme. 

Hier pdf van Gert Biesta’s presentatie

PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs