U bent hier

Prestatiebekostiging boost voor cijferfetisjisme en bureaucratie

Dankzij het Centraal Planbureau weten we nu nog scherper wat de politieke partijen van plan zijn met het onderwijs. Een voor mij schokkende conclusie is dat de drie paarse partijen VVD, PvdA en D66 het eens zijn over de invoering van prestatiebekostiging in het onderwijs. De kans dat deze drie partijen samen de basis vormen van een nieuwe coalitie is best groot, dus de dreiging die hiervan uitgaat is reëel.

Een eerste stap is door de huidige VVD-staatssecretaris Zijlstra al gezet in het hoger onderwijs. Wie gedacht had dat een bestuursakkoord met prestatieafspraken gaat over nieuwe of additionele middelen is in die sector al bedrogen uitgekomen. Het geld dat de instellingen krijgen als ze zich netjes houden aan de Haagse voorschriften komt gewoon uit hun voorheen reguliere bekostiging. Om precies te zijn 7% is daarvan afgehaald en dat kunnen ze alsnog krijgen als ze de juiste plannen inleveren om de kwaliteit te verhogen, bij te dragen aan een aantal voorgeschreven topsectoren en meer van dat soort door de overheid opgelegde criteria. Dit is weliswaar in strijd met de vrijheid van onderwijs, maar volgens de Raad van State is er niets aan de hand zolang het gebaseerd wordt op het zogenaamde experimenteerartikel, dat inmiddels ook voor andere sectoren van kracht is. Het gaat immers om vrijwilligheid; je kunt als instelling ook zeggen dat je niet mee doet aan dit bureaucratische circus omdat je zelf over je kwaliteitsbeleid gaat. Alleen, hoe vrijwillig is het als je de keus hebt om 7% van je reguliere bekostiging op te geven?

In de andere onderwijssectoren is het gelukkig nog niet zo ver. Ook daar zijn allerlei prestatie-eisen vervat in bestuursakkoorden, maar de beloning of bestraffing gebeurt met additioneel geld. Dat gaat als het aan de paarse coalitie ligt dus veranderen. Ook in het middelbaar en basisonderwijs worden dan voor een deel van hun geld afhankelijk van het voldoen aan Haagse maatstaven. Dit zal onvermijdelijk gaan over afrekenbare prestatie-indicatoren, zoals resultaten op CITO-toetsen en Centraal Schriftelijke examens, metingen van 'toegevoegde waarde' van scholen etc. Het cijferfetisjisme en de bureaucratie zal er een enorme boost mee krijgen. Omdat scholen vrij goed in staat zullen blijken om toe te werken naar de gevraagde resultaten wordt bovendien een schijnwerkelijkheid gecreëerd.

Wordt de onderwijskwaliteit van al dit soort van overheidsinterventies uiteindelijk beter? De geschiedenis en de ervaring in andere landen stemt niet hoopvol. Insiders in het hoger onderwijs hebben hun twijfel over wat daar op dit moment gebeurt. Ik vrees dat de paarse maakbaarheidsidealen sterker zullen blijken dan de nodige realiteitszin en daarom hou ik mijn hart vast voor de komst van de prestatiebekostiging in het onderwijs. Ik hoop op een stevig en principieel verzet van de scholen.

Nieuwe reactie inzenden