U bent hier

Islam en onderwijs; het blijft lastig

In hoeverre willen we in onze samenleving echt plaats maken voor een behoorlijk percentage islamitische inwoners, of ze nu derde generatie zijn of vluchteling uit Syrië? Feit is dat een toenemende minderheid in ons land islamitisch is en niet van plan lijkt te zijn om net zo hard te seculariseren als het gros van de autochtone christenen. In het onderwijs gaat het op veel plaatsen zelfs niet meer om een minderheid van de leerlingen en ouders.

Net als christenen in de 19e eeuw vragen ook moslims ruimte in het onderwijs. Soms letterlijk, zoals een gebedsruimte, maar natuurlijk ook figuurlijk zoals ruimte om tekenen van hun religie te dragen, zoals een hoofddoek, ruimte om de hoogfeesten te vieren in de kring van de eigen gemeenschap, zoals het Suikerfeest. Ruimte ook voor eigen scholen, gebruik makend van de vrijheid van onderwijs, die we terecht koesteren als een fundamenteel recht van elke ouder. En recent met het verzoek om bij de planning van examens rekening te houden met de Ramadan.

Dit vormen uitdagingen voor christelijk geïnspireerde scholen. Hoe kun je trouw blijven aan je eigen identiteit en wortels en toch inspelen op een veranderende populatie. Maar dit zijn natuurlijk ook uitdagingen voor de overheid en voor politici als vertolkers van de gevoelens in onze samenleving.

Voor zowel scholen als overheid is het daarbij van belang om te zoeken naar werkbare compromissen, om bruggen te blijven slaan naar deze minderheid en ook bij een afwijzing van een op zich legitieme wens respectvol op te treden, niet met twee maten te meten en te blijven binnen de grenzen van de rechtsstaat. Dat laatste mogen niet-moslims natuurlijk ook verwachten van moslims in ons land. 

Met de recente afwijzing van een initiatief voor islamitisch voortgezet onderwijs op grond van het feit dat de initiatiefnemers geen overtuigde aanhangers van de democratische rechtsstaat lijken te zijn, is de overheid naar mijn mening die grens overschreden. Om op zich begrijpelijke redenen liggen bestaande islamitische scholen voortdurend onder het vergrootglas van de inspectie op dit punt. Dat zou ook met zo’n nieuwe school moeten en kunnen gebeuren. De staatssecretaris heeft vervolgens de bevoegdheid om aanwijzingen te geven bij aantoonbaar zwak presteren. Maar bij voorbaat een schoolinitiatief op deze manier de maat nemen is in strijd met de vrijheid om een school te stichten op basis van de levensovertuiging van de ouders.

Het lijkt of de staatssecretaris erop uit is om na een negatieve rechterlijke uitspraak munitie te verkrijgen voor een verdere inperking van de vrijheid van onderwijs. Wat mij betreft is dat ongewenst. Dat zou een vrijbrief geven aan de overheid en dus ook aan toekomstige bewindspersonen met mogelijk minder nobele motieven om dit grondrecht op eenvoudige wijze fors uit te hollen. Vandaag voor de islamitische minderheid, maar misschien morgen evenzeer voor de christelijke (of een andere) minderheid in ons land. 

Nieuwe reactie inzenden