U bent hier

'Een belangrijk rapport van de Onderwijsraad, maar het verdient een grondige doordenking van het indringende appèl'

De Onderwijsraad publiceerde vorige week het advies Later selecteren, beter differentiëren. De Raad geeft met dit advies een antwoord op de vraag hoe differentiatie en selectie in het onderwijsstelsel beter recht kunnen doen aan de capaciteiten van alle leerlingen. Volgens de belangrijkste adviseur van de regering op onderwijsgebied is hiervoor een ingrijpende stelselwijziging nodig: selectie voor het vervolgonderwijs vindt niet meer plaats in groep 8 van de basisschool, maar aan het eind van een 3-jarige brugperiode in het voortgezet onderwijs.

In deze brugperiode volgen leerlingen samen onderwijs, dat gedifferentieerd, flexibel, op basis van de talenten en capaciteiten en behoeften van de individuele leerlingen wordt aangeboden. De eindtoets in groep 8 is hierdoor niet meer nodig en vervalt. Aan het eind van de brugperiode krijgen de leerlingen een doorstroomadvies op basis van toetsen en brede informatie.

Kansengelijkheid

Met zijn advies levert de Onderwijsraad een belangrijke bijdrage aan het debat over kansengelijkheid. Steeds duidelijker wordt dat het ideaal van gelijke kansen voor iedere leerling, ongeacht zijn of haar etnische of sociaaleconomische afkomst of het opleidingsniveau van de ouders, door het onderwijs steeds minder wordt waargemaakt. Bovendien ontmoeten leerlingen van verschillende achtergronden elkaar steeds minder op school, wat de socialisatiefunctie van het onderwijs ondermijnt. Het is goed dat de Onderwijsraad deze toenemende en fundamentele problemen signaleert en van een oplossing probeert te voorzien. Is het de juiste oplossing? Daar wordt in het onderwijsveld verschillend over gedacht. De reacties op het advies variëren van een hartelijke instemming tot “volstrekt kansloos”. De komende tijd gaan wij met leden in gesprek over wat zij vinden van het advies. We proberen te duiden wat er op het spel staat en te verhelderen wat het advies wel en niet vermag.

We vragen ons bijvoorbeeld af of de Onderwijsraad de actuele situatie binnen het onderwijs volledig in beeld heeft:

  • De manier waarop de inspectie scholen beoordeelt is niet bevorderlijk voor het bieden van gelijke kansen. Terecht wijst de Onderwijsraad op beleid van scholen dat gelijke kansen en ontmoeting tussen alle leerlingen bemoeilijkt (veel enkelvoudige adviezen, verschillende onderwijssoorten vaak op gescheiden locaties, minder brede brugklassen en strenge eisen voor opstroom). Dit beleid komt echter niet uit de lucht vallen, maar wordt deels veroorzaakt door het landelijk beleid en het daarbij passende toezichts-regime.
  • Er is sprake van een serieus kwantitatief en kwalitatief lerarentekort, terwijl juist van leraren in de beoogde situatie erg veel gevraagd wordt. Er gaan stemmen op om het probleem van het lerarentekort eerst op te lossen alvorens andere ingrijpende veranderingen door te voeren, omdat zonder voldoende goede leraren veel onderwijsveranderingen niet zullen slagen. 
  • Er is reden voor kritiek op de bestaande toets-cultuur. In dit licht valt het op dat het advies stevig inzet op toetsing gedurende de brugperiode. Dit element verdient nadere doordenking, want het risico bestaat dat door het ruimhartig gebruikmaken van toetsing de nadruk toch weer komt te liggen op goed toetsbare vaardigheden, met alle nadelige gevolgen voor de kansengelijkheid. Karen Heij laat zien dat de bestaande toets-cultuur de ongelijkheid bevordert (zie de dissertatie van toetsexpert Karen Heij, die zij op 21 april verdedigt).
  • Voor scholen geldt de vrijheid van inrichting. Het Onderwijsraadadvies lijkt hierbij op twee gedachten te hinken. Het erkent de inrichtingsvrijheid, maar pleit ook voor stevige regels. Curieus is in dit verband de zin (blz 50) “Scholen maken namelijk niet altijd vanzelf gebruik van de geboden ruimte op een manier die in overeenstemming is met waar de ruimte voor bedoeld is”. Hoe wordt dat bepaald, en hoeveel ruimte is er dan eigenlijk?

Realisatie

De Onderwijsraad is pessimistisch over de te bereiken resultaten van aanpassingen binnen het huidige stelsel. Misschien is dit terecht, maar wij vragen ons af of tot nu toe alle mogelijke aanpassingen, die deels vrij eenvoudig en op korte termijn te realiseren zijn, wel in ogenschouw zijn genomen. Dat geldt ook voor recente beleidsontwikkelingen, zoals het stimuleren van brede scholengemeenschappen en het lopende curriculumtraject waarin doorlopende leerlijnen (die een soepele overstap tussen verschillende sectoren en schoolsoorten moeten bevorderen) een grote rol spelen.

Het engagement van het rapport is aanstekelijk. Er ligt echt een maatschappelijke opgave. Elke school zou het als een ereplicht moeten beschouwen om haar bijdrage te leveren aan het opheffen van kansenongelijkheid. En dat engagement is er ook. Tegelijk heeft Gert Biesta wel eens de vraag gesteld: wat voor samenleving verdient de school? Deze vraag naar het soort samenleving dat nodig is, zou nog meer aandacht mogen krijgen. Tot op dit moment werken scholen in een samenleving die in hoge mate gestempeld is door het meritocratisch ideaal van verdienste. In onze samenleving is dat ideaal geworden tot: jij bent verantwoordelijk voor je eigen succes en iedereen heeft de kans om ‘het te maken’. Ouders en leerlingen hebben dat heel goed in de gaten. Ze zijn zich ernaar gaan gedragen, ook als ze dat liever niet wilden. Daar komt bij: de definitie van ‘het maken’ is in onze samenleving behoorlijk eenzijdig en vooral economisch bepaald. Je bent vooral geslaagd, wanneer je hoog op de maatschappelijke en bijbehorende inkomensladder belandt. Daar gaan ouders vervolgens dus ook naar streven voor hun kinderen en met die ambities komen ze de school in.

Bijdrage leveren

Het is opvallend dat ook in landen waarin selectie later plaatsvindt, problemen bestaan m.b.t. maatschappelijke onvrede, dat tot uitdrukking komt in populisme. Er zijn grote groepen mensen die zich in de huidige samenleving niet gezien, niet gewaardeerd voelen. Hun waardigheid is in het geding. Hoe verbinden we dat vraagstuk met de opgaven van het onderwijs? Hoe gaat het ons lukken ook in het onderwijs weer de waardigheid van de hele mens te zien?

De Onderwijsraad heeft een aanstekelijk en belangrijk rapport geschreven. Het rapport verdient een grondige doordenking, van de heldere probleemstelling, van het indringende appèl dat er in besloten ligt, maar ook van de onderbelichte zaken of zelfs blinde vlekken. Verus wil aan die gedachtevorming haar bijdrage leveren.

Robbert Jan de Vries en Monica Neomagus.

Reacties

Door Jef De Schepper op 22 apr 2021 | 15:29

Ik heb mijn commentaar in een email naar Verus gestuurd. Ik hoop dat dit doorgestuurd wordt. Ik sluit me aan bij de opmerkingen die in deze tekst gemaakt worden en denk dat ik daar iets aan kan toevoegen. Ik ben blij dat Verus actief wil ingaan op het rapport.

Nieuwe reactie inzenden

Robbert Jan de Vries

adviseur public affairs
0348 74 44 24

Lees ook

Robbert Jan de Vries
Robbert Jan de Vries