U bent hier

Waar is onderwijs eigenlijk voor nodig? - deel 6

Deel 6 Onderwijsvrijheid 2.0

In de vorige (vijfde) aflevering is ingezoomd op de ontsnapping uit de dystopische gedachte dat onderwijs er ter wille van de economie is en dat ons denken daarom ‘marktconform’ zou moeten zijn. Sprekend over de universiteiten laat Erik Borgman zien dat we “conversio morum en conversatio morum nodig [hebben]”, een gesprek van ommekeer. Wat hoort de universiteit weer op de eerste plaats te zetten? Dit kunnen we ons ook afvragen over de gewone school. Vorig jaar is Verus daar een discussie over gestart. Wat is er tot nu toe naar voren gebracht?       

Maar eerst keren we terug naar het beeld dat Erik Borgman gebruikt bij ‘waarheid’, het woord dat hij als een tempel voorstelt, maar ook als een polyeder, een veelvlak. Met dit laatste beeld (uit een recente Vaticaanse publicatie) wordt uitgedrukt dat waarheid tijdens een zoektocht kan worden gevonden, niet in eenrichtingsverkeer. Meerdere paden dienen te worden bewandeld. Die paden tezamen zijn als een polyedrische eenheid, die maakt dat “de kostbare mogelijkheden van polariteiten bewaard [kunnen] blijven.”

Wat de gedachte van een polyedrische eenheid voor wetenschappelijk onderzoek kan betekenen, is recentelijk treffend duidelijk gemaakt door drie academische pedagogen (met emeritaat): Wilna Meijer, Sieneke Goorhuis-Brouwer (een orthopedagoog) en Jan Dirk Imelman. In hun studie van het jonge kind (tot 10 jaar) laten zij overtuigend zien, dat een goed zicht op diens ontwikkeling sterk afhankelijk van multidisciplinair onderzoek is.

In de praktijk echter, wordt deze waarheid als een koe gemakkelijk vergeten, wat, als voorbeeld, tot voorschoolse educatie heeft geleid, een voorziening die schoolse vaardigheden accentueert, terwijl de neurologische ontwikkeling van peuters eenvoudigweg nog niet zo ver is. Als een kleuter, een ander voorbeeld, vaardig met letters is, denkt menige ouder dat zijn kleutertijd kan worden bekort. Maar (meestal) is het fonemische bewustzijn [besef van betekenisverschil van kleinste klankeenheden, ‘p’ bijvoorbeeld] van het betrokken kind nog niet voldoende gevormd om met aanvankelijk lezen te kunnen beginnen. Het is nog niet schoolrijp, een begrip dat, wat deze pedagogen betreft, in ere zou moeten worden hersteld. [Bronvermelding onderaan deel 7]

Dit zijn zomaar enkele praktische, betekenisvolle voorbeelden bij Borgmans theologie van ‘de vreugde van de waarheid’, zoals in de vorige aflevering is beschreven. Ze gaat over bezonnenheid, respect en liefde voor ‘alles wat is’. Er zijn echter veel ontwikkelingen in het onderwijs die eerder op onbezonnenheid wijzen, wat Verus tot dat besluit bracht om een discussie te starten over de toestand in het onderwijs. Erik Borgman is daar, onder anderen, van meet af aan bij betrokken.                       

Er wordt veel gediscussieerd over onderwijsvrijheid in ons land, maar in de grond van de zaak is deze vrijheid, zoals Erik Borgman het uitdrukt, een ruimte om in onderwijspedagogische zin steeds te doen wat gedaan moet worden. Dat is überhaupt de bedoeling van vrijheid. Maar in onze dagen wordt de ruimte ingenomen door systemisch onderwijs, wat goed doen in de weg is gaan zitten. Onbehagen daarover groeit, maar hoe is het mogelijk geweest dat de systemische benadering in brede kringen van het onderwijs ingang heeft gevonden? Om deze vraag te kunnen beantwoorden is opnieuw een grondige kijk op onderwijsvrijheid nodig. [Bronvermelding onderaan deel 7]       

Borgman mist een robuust onderwijsverhaal. Het valt hem op dat veel websites van scholen stellen dat de leerling centraal staat. Is de tegenovergestelde bewering een reële optie dan? En wijst dit centraalstellen niet eerder op marketinggedrag van scholen, zo vraagt hij zich af, wijzend op het marktdenken dat sluipenderwijs door heel veel mensen is omarmd.

Wij hebben iets anders te doen dan kinderen te behagen, stelt Borgman er tegenover. Zij moeten worden gevormd voor een toekomst, die niemand overigens kent, en een toekomst die zij trouwens niet zullen maken, maar ze toe zal vallen. Dit is een cruciaal punt in zijn denken en in dat licht plaatst hij de onderwijsvrijheid. Er is vrijheid nodig om te kunnen reageren op wat er feitelijk gebeurt, op wat door kinderen wordt gevraagd, waardoor zij verder kunnen worden geholpen. In die zin zou onderwijs vrij moeten zijn, zo bedoelt Borgman, een ruimte dus om te doen wat gedaan moet worden. In het onderwijs moet worden nagedacht over het benutten van deze ‘onderwijsvrijheid 2.0’.      

Maar volgens Borgman wordt er tegenwoordig niet of nauwelijks op die manier over onderwijs gedacht. Wel gaat het over technische kwesties, de bekostiging en uitvoeringsvraagstukken. Fundamentele vragen hoor je nauwelijks gesteld, aldus Borgman. 

Een voorbeeld van zo’n fundamentele vraag gaat over de bedoeling van onderwijs. Wat is daarvan het kernpunt? Om een samenleving te kunnen opbouwen, is het nodig dat jonge mensen hun ware roeping leren vinden, aldus Borgman. Hoe kunnen zij zich daarop oriënteren? In een nog te publiceren tekst schrijft hij daarover: “Wie het goed met kinderen voorheeft, moet ze vertellen dat ze soms níet centraal staan, omdat een ander dan centraal staat, of iets anders. Willen zij hun ware roeping vinden dan zullen leerlingen zich in dienst moeten stellen van het goede leven van anderen. De weg naar geluk is niet het veroveren van eigen ruimte op anderen, maar loopt via toewijding aan het geluk van hen. Deze toewijding aan anderen is naar christelijke overtuiging de bron van eigen vrijheid: ‘Met de maat waarmee jullie meten, zul je gemeten worden’, (Lucas 6,31). Dit is echt iets heel anders dan gerichtheid op het ontwikkelen van eigen talenten of het volgen van je passie.” In Borgmans ogen staan talent en passie daarom in het teken van de roeping die je voelt en niet anders. In feite gaat dit over een opvoeding tot volwassenheid; dit gaat over geroepen zijn tot verantwoordelijkheid. Borgman wijst op de pedagogen Philippe Meirieu en Gert Biesta, die daarover in hun werk spreken.

Borgman voegt hieraan toe dat onderwijs in strikte zin niet te plannen valt, omdat de toekomst per definitie onbekend is. Zie kinderen daarom als bouwers en niet voor vervulling van vermeende behoeften van de toekomstige samenleving. Jonge mensen zijn dragers van een nog onbekende toekomst en moeten daartoe gevormd worden. Dat is iets heel anders dan focussen op de zogenoemde 21th century skills.

Borgman vindt het nodig dat mensen in het onderwijs met elkaar praten. Niet over de beheersing van risico’s of over het verdelen van bevoegdheden, maar over vorming en onderwijs. Wat is goed onderwijs? Dat is niet een kwestie van een balans zoeken tussen harde eisen die nu eenmaal gelden en dat wat goed is voor het individuele kind. Veel scholen stellen dat ze goede resultaten hebben en daarnaast aan brede vorming en persoonsvorming doen. Maar het ligt fundamenteel anders. Kennis en persoonsvorming gaan in werkelijkheid hand in hand. Vakkundige leraren weten dit. Daarover gaat het laatste deel van dit vervolgverhaal.

Lees ook

Het klimrek op de foto die bij de afleveringen van dit vervolgverhaal is geplaatst, heeft de vorm van een veelvlak. Dit is een verwijzing naar de betekenis die eraan is gegeven in de zesde aflevering. Met dit beeld wordt uitgedrukt, dat waarheid tijdens een zoektocht kan worden gevonden, niet in eenrichtingsverkeer.
De afbeelding is van Klaus Scheiber.

Nieuwe reactie inzenden

Nico Dullemans

adviseur identiteit
0438 74 41 18