U bent hier

Waar is onderwijs eigenlijk voor nodig? - deel 1

Een vervolgverhaal over schuivende bestaansredenen van het onderwijs

In de berichten van Verus wordt regelmatig over ‘economisering van het onderwijs’ geschreven, maar wat wordt met deze uitdrukking feitelijk bedoeld? Wordt ermee een reëel bestaande situatie aangeduid, waarin de school louter een economische functie heeft, of is ze meer een waarschuwing ertegen? Waarvoor wordt trouwens gewaarschuwd? Raken de drie erkende functies van onderwijs, kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming, uit balans en wordt zo de eigenlijke bedoeling van onderwijs bedreigd – wordt daarvoor gewaarschuwd? Of zijn er krachten bezig om het onderwijs een volledig nieuwe bestaansgrond te geven? Hoe is de situatie eigenlijk? 

Een feuilleton, in zeven delen, om het broodnodige gesprek over onderwijs te stimuleren. Het verhaal is ook bedoeld als saluut. Uw schrijvertje nadert zijn pensioengerechtigde leeftijd.

 

Deel 1 - Onderwijs door de maatschappij eenzijdig gevorderd

 

Op 23 en 24 maart 2000 spraken de regeringsleiders in de Europese Raad in Lissabon af, dat Europa “de meest dynamische en concurrerende regio ter wereld” zou moeten worden. “Kennis, innovatie en sociale cohesie moeten daarom centraal komen te staan.” Een gevolgtrekking hiervan stond in een nota van het Nederlandse onderwijsministerie, ruim een jaar later. De “lerende staat centraal; iedereen die leert moet het maximale uit zichzelf kunnen halen.” Er werd aan toegevoegd dat “hun capaciteiten, wensen en ambities de uitgangspunten voor de inhoud en organisatie van de kennisinfrastructuur zijn.” Een grotere diversiteit in onderwijsprogramma’s werd in het vooruitzicht gesteld. Dit als reactie op “de uiteenlopende vragen van de lerende en de uiteenlopende actuele vragen uit de samenleving en de arbeidsmarkt.”  Over het funderend onderwijs werd nog gesteld, dat het zorgdraagt voor de socialisatie van de leerlingen. 

In de Nederlandse nota ging het de overheid om twee dingen: sociale cohesie, vandaar die nadruk op socialisatie, en de kenniseconomie, waarmee het aanjagende effect van kennisvergaring op de economie wordt bedoeld. Volgens de nota zijn dit de twee maatschappelijke opdrachten van onderwijs en onderzoek, met de nadruk op ‘kenniseconomie’. [De bronvermelding staat onderaan het slot van de zevende aflevering.]

 

Wie over kennis spreekt, denkt aan de universiteiten, tenslotte de instituten waar onderzoek wordt gedaan en waar aankomende onderzoekers hun eerste verrichtingen tonen. Om deze reden belichten we hier eerst het universitair onderwijs, verderop in het verhaal komt het funderend onderwijs. Daarbij ligt het voor de hand om de Engelse situatie te nemen omdat daar de kennistaak van universiteiten (hun onderzoek) al ruim een halve eeuw de aandacht van de overheid heeft, terwijl in Nederland het tot ver in de tweede helft van de vorige eeuw heeft geduurd voordat de overheid de richting van wetenschappelijk onderzoek praktisch is gaan beïnvloeden. Voor die tijd ging haar aandacht vooral uit naar kostenbeheersing vanwege de onstuimige groei van het aantal studenten. [Bronvermelding onderaan zevende aflevering] (De huidige overheidsbesturing komt neer op een prikkelbekostiging van de instroom, doorstroom en uitstroom van studenten en de voeding de van een aantal geldstromen ten behoeve van onderzoek. Ter verzachting van deze prikkeling heeft de commissie Van Rijn recentelijk geadviseerd verschuivingen in de subsidietoewijzingen aan te brengen, waaronder een verhoging van de basisbekostiging van instellingen. De kabinetsreactie hierop is min of meer conform dit advies.)  

 

De Engelse overheid heeft in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw de stoot gegeven tot een aanzienlijke uitbreiding van het hoger onderwijs, gemotiveerd zowel uit het oogpunt van kansengelijkheid als van acceleratie van economische groei. In die tijd werden er dertig polytechnische onderwijsinstellingen opgericht, vooral om de tweede reden. Dit gebeurde opzettelijk buiten de toenmalige universiteiten om, die een intellectuele, culturele traditie belichaamden, bedoeld om over te dragen aan een volgende generatie. Kennis was daarin geïntegreerd. In de dertig polytechnics daarentegen kreeg kennis een zelfstandige, theoretische betekenis, waarmee vervolgens richting kon worden gegeven aan technische innovatie. Intellectuele waarden wortelen voortaan in ‘wetenschap’ en minder in de culturele traditie. Deze wezenlijke omwisseling van taakopvatting heeft zich daarna ook in de universiteiten voltrokken.

 

De exclusieve nadruk op kennisontwikkeling heeft in de universiteiten dus tot een omwenteling geleid. De universiteit als eenheid, gekenmerkt door haar pedagogische ethos (lees: de overdracht van een culturele traditie aan een volgende generatie) en haar voogdijschap van een intellectuele cultuur, ging verloren. Onderwijsgeven aan studenten en onderzoek doen raakten van elkaar gescheiden, waarbij onderwijs minder prioriteit kreeg. Onderzoek is opgesplitst in kleine, zeer specialistische eenheden, waar de universitaire organisatie zich aan is gaan spiegelen en hierdoor onoverzichtelijk werd.  

 

Terwijl de universiteit organisatorisch verzwakte nam de druk op haar toe. Behalve dat er de vordering is van kennisproductie voor technologie en economie (en andere maatschappelijke doeleinden), heeft de beroepenwereld haar verlangens. De intellectuele waarden van de universiteit zijn niet meer alleen in wetenschap geworteld. Ook hebben ze nu wortel geschoten in specialistische beroepen. 

De voormalige universiteit zag zichzelf als een zelfstandig instituut, een beetje verwijderd van al te gedetailleerde maatschappelijke eisen. Ze dacht een autoriteit te zijn, onafhankelijk van politiek en andere machtscentra, zoals het bedrijfsleven. De moderne universiteit echter, ziet zich als dienstverlener van deze centra. Om daartoe haar krachten te kunnen mobiliseren, is ze tegenwoordig met een koepel van bestuurders en managers bedekt.                 

 

In deel 2 van de feuilleton zal de besturing van de moderne universiteit worden aangestipt. We zullen zien dat de instrumenten die bestuurders en managers hiervoor gebruiken, het funderend onderwijs niet vreemd zijn. Daarna wordt de afstamming van bedoelde sturingsmiddelen getoond. We zullen dan zien dat deze zijn afgeleid van een economisch geladen ideologie.

 

Het klimrek op de foto die bij de afleveringen van dit vervolgverhaal is geplaatst, heeft de vorm van een veelvlak. Dit is een verwijzing naar de betekenis die eraan is gegeven in de zesde aflevering. Met dit beeld wordt uitgedrukt, dat waarheid tijdens een zoektocht kan worden gevonden, niet in eenrichtingsverkeer.
De afbeelding is van Klaus Scheiber.

Nieuwe reactie inzenden

Nico Dullemans

adviseur identiteit
0438 74 41 18