U bent hier

Waar is onderwijs eigenlijk goed voor? - deel 2

Deel 2 - Alles en iedereen als koopwaar

In deel 1 van dit vervolgverhaal over ‘economisering van onderwijs’ en dat is bedoeld om het broodnodige gesprek over onderwijs te stimuleren, is gewezen op het grote belang dat wordt gehecht aan de kenniseconomie en op de gevolgen die dit heeft voor de onderwijsinstellingen, in eerste instantie voor de universiteiten. Deze instellingen, die de druk voelen om kennis te produceren, proberen met een nieuw type bestuur en management hieraan tegemoet te komen. Daarover gaat deel twee.

In Engeland is het Stefan Collini die over de “dramatische veranderingen” op de universiteiten verhaalt. Hij is een emeritus professor Engelse literatuur, die als gastspreker in 2015 het academisch jaar van de Universiteit Leiden opende. In verschillende boeken [bronvermelding onderaan deel 7] wijst hij op het veranderde beleidsraamwerk van de Engelse universiteiten. Tegenwoordig worden ze geacht expliciet bij te dragen aan economische groei en is hun handelen daartoe onderworpen aan de marktmethode.

Wat dit laatste aangaat is de verandering van de subsidiegrondslag van de universiteiten, zo’n tien jaar geleden, baanbrekend geweest. Vanaf die tijd werden de universiteiten niet meer gesubsidieerd voor het collegegeven. Daarvoor in de plaats kwam het hoge collegegeld van maximaal 9.250 pond, waarvoor studenten een lening kunnen sluiten.

Volgens de overheid zelf is de bedoeling hiervan “consumentengedrag in het systeem te planten.” Studenten letten voortaan op de prijs-kwaliteitverhouding en universiteiten spelen in op hun behoeften, onder meer door te concurreren met de hoogte van het collegegeld. Dat is de veronderstelling hierbij.

Collini wijst op de mentale kracht die van deze omzetting van bekostiging uitgaat. “Als je mensen opnieuw classificeert en hen bestempelt als consumenten, dan heb je hen al gereduceerd tot economisch handelende personen op een markt.” Volgens hem wordt er met het Engelse hoger onderwijs “enorm gegokt.” Hij vindt het te simpel om te suggereren dat dit beleid rechtstreeks een gevolg is van de last van het neoliberalisme (waarover dadelijk meer), “maar onmiskenbaar is het zo dat de laatste dertig jaar de Engelse overheid universiteiten is gaan behandelen als marktpartijen.” Hun prestaties verbeteren door competitie, zo is de veronderstelling.

‘Markt’ is een metafoor voor een omgeving waar aanbieders en vragers elkaar ontmoeten, twee partijen die elkaar nodig hebben. Hun onderlinge verhouding is daarmee niet-hiërarchisch. De ene partij wil zijn aanbod slijten, de andere partij wil zijn behoefte bevredigen.

De universiteit is een erkend aanbieder van hoger onderwijs, de aankomende student is in de positie om haar aanbod af te nemen, onder meer omdat hij over voldoende financiën beschikt, van de ouders of dankzij een lening van een door de overheid gecontroleerde instantie.

De overheid handelt daarmee als een marktmeester. Haar taak is het om ‘marktimperfecties’ tegen te gaan, bijvoorbeeld met zo’n leningenstelsel (want relatief weinig ouders zijn in staat de studie van hun kinderen te betalen). Een ander voorbeeld van dit optreden is de Teaching Excellence and Student Outcomes Framework, een verplichte, systematische, deels metrische toetsing van het collegegeven, de studie-omgeving die universiteiten bieden en de studieresultaten. Dit zorgt ervoor dat de student een overzicht van de prestaties van de instellingen heeft. Een onafhankelijk panel kent de universiteiten predicaten toe: goud, zilver, brons en professional (voldoende). (Ook het wetenschappelijk onderzoek wordt met een meetsysteem aangestuurd.)

De student heeft dankzij geld toegang tot de universiteitsmarkt en dankzij onderwijsmetriek heeft hij er ook kennis van. De marktwerking is daar. Overheidsregels en ambtelijke procedures zijn niet meer nodig. Deze zijn trouwens inferieur aan marktwerking, zo is de redenering, waar overigens veel waarde aan wordt gehecht, haast als een dogma. (In Engeland zijn tegenwoordig meer dan 140 universiteiten. In 2018 was bijna een kwart hiervan verliesgevend.)

Volgens Wendy Brown, die studie deed naar de betekenis van het neoliberalisme, is marktdenken tegenwoordig een heersende mentale orde, waar mensen, overheden en maatschappelijke organisaties zich naar zijn gaan richten. “Het gaat om een bijzondere redenering, die alle kanten van het leven in economische termen uitdrukt”, schrijft ze. [Bronvermelding onderaan deel 7] Alles en iedereen is koopwaar. Een universitaire studie is dat, maar ook de student moet in economische zin worden begrepen. Hij investeert – door een studie te beginnen en meestal daarvoor een studieschuld op te bouwen. De moderne mens is vooral een homo economicus, dat is de heersende opvatting.

Hierachter schuilt de theorie van ‘menselijk kapitaal’. Deze stelt dat de werker een ondernemer van zichzelf is. Hij verkoopt geen arbeid, maar is een actieve, economische persoon, die over een kapitaal beschikt, namelijk een bekwaamheid, een competentie die rendeert en een inkomensstroom oplevert. De studielening kan worden afbetaald. De investering begint haar vruchten af te werpen.

Brown schrijft: “Menselijk kapitaal, zoals elk ander kapitaal, wordt beheerst door markten.” Studiekeuzes tonen dat aan. Jonge mensen studeren economie, niet Nederlands. De verdiensten van een econoom zijn hoger dan die van een leraar Nederlands. 

Brown, die in de VS politieke filosofie doceert, laat zien dat het neoliberalisme economisch geïnspireerd gedrag is, dat om een bepaalde besturing vraagt. Brown spreekt van: de besturing van de zelfsturing van mensen, overheden, maatschappelijke organisaties, zoals universiteiten en scholen. Haar belangrijkste vraag is wat deze besturing teweegbrengt bij vakmensen (denk aan leraren bijvoorbeeld) en bij burgers (zij bedoelt de burger als homo politicus: de burger die zijn democratische rechten uitoefent). Deze vraag komt terug in het volgende deel van deze feuilleton. Daarin zal deze sturingstechniek, ‘governance’ geheten, worden toegelicht.

Lees ook

Deel 1 - Onderwijs door de maatschappij eenzijdig gevorderd

Het klimrek op de foto die bij de afleveringen van dit vervolgverhaal is geplaatst, heeft de vorm van een veelvlak. Dit is een verwijzing naar de betekenis die eraan is gegeven in de zesde aflevering. Met dit beeld wordt uitgedrukt, dat waarheid tijdens een zoektocht kan worden gevonden, niet in eenrichtingsverkeer.
De afbeelding is van Klaus Scheiber.

Nieuwe reactie inzenden

Nico Dullemans

adviseur identiteit
0438 74 41 18