U bent hier

Voor het onderwijs zelf is bekostiging een bijzaak

Op een goed moment is voor kosteloos onderwijs gekozen en is besloten de kosten daarvan op de collectieve middelen te laten drukken. Maar daarmee heeft de overheid de mogelijkheid via bekostiging van het onderwijs te sturen. En zo is er een reële kans dat de techniek van bekostiging gaat overheersen en het beeld van onderwijs wordt vertekend.* 

Aanvankelijk werd de overheidsbekostiging van het onderwijs louter als randvoorwaarde gezien om de verschillende onderwijssectoren tot ontwikkeling te laten brengen. Gaandeweg is ze omgevormd van een verblijfsduurbekostiging (een voorbeeld van inputfinanciering) tot een instrument waarmee niet alleen de kosten beheerst moeten worden, maar nu ook ingezet om het interne beleid van de scholen en instellingen zelf te beïnvloeden. Dit is af te leiden uit de geschiedenis van de opeenvolgende bekostigingsmodellen, waarmee het hoger onderwijs voorop ging, de andere sectoren zouden volgen.

Maar voor het onderwijs zelf is de bekostiging maar een bijzaak. Dit heeft te maken met wat onderwijs is, met zijn essentie: alle vormen en situaties waarin mensen kennis, ervaring en inzicht vermeerderen en zo hun persoon en karakter vormen en ontwikkelen. Dit brede begrip van onderwijs en de implicatie hiervan, namelijk dat de focus op de onderwijsontvanger de enige zinvolle is, doen ons beseffen dat alle voorzieningen en aspecten in dat kader geplaatst moeten worden.

Het nieuwe bekostigingsmodel voor het voortgezet onderwijs gaat aan dit brede begrip van onderwijs voorbij. Het doel is alleen maar geweest de bestaande “complexe bekostigingssystematiek” (aldus de Algemene Rekenkamer) enorm te vereenvoudigen. Nog maar een paar criteria worden gehanteerd:

  • een bedrag voor de leerling die het beroepsvoorbereidend onderwijs volgt
  • een (lager) bedrag voor de leerling in het theoretisch onderwijs
  • een vaste voet per vestiging van de school

Er wordt over het hoofd gezien dat het ingewikkelde karakter van het huidige model natuurlijk te maken heeft met de voortdurende drang om in te spelen op zeer verschillende behoeften van leerlingen. Daarnaast hebben meer algemeen maatschappelijke belangen een rol gespeeld, zoals bereikbaarheid van scholen, hun richting en de diversiteit van hun aanbod. Allemaal belangrijke zaken die blijven bestaan, sterker nog, die weer voor het voetlicht komen als een nieuw model nog maar drie verdeelsleutels zou kennen. Om die reden dringt de Onderwijsraad in zijn advies aan op een verfijning van het voorgestelde model en op uitzonderingsbepalingen.

Nog een tweede punt. Waarom zou de overheid het huidige bekostigingsmodel voorlopig niet handhaven? De scholen hebben tenslotte genoeg aan hun hoofd. Denk aan de invoering van nieuwe profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs, die kenners grootscheeps noemen. Denk aan de gebieden waar de bevolking afneemt en aan de scholen die zich daarop moeten instellen. Denk ook aan passend onderwijs, een andere diepingrijpende verandering met verschillende financiële effecten. 

Het is jammer dat wij de draagkracht van scholen niet kunnen uitrekenen en dat daar niet een (wettelijke) norm voor kan worden vastgesteld. Inderdaad, daar is onderwijs te complex voor. Maar je kunt ook je gezond verstand laten spreken. 

*De inleidende opmerkingen zijn afkomstig uit: De subsidiëring van onderwijs, Vereniging Katholiek Onderwijs, december 2014, p.6-11.


Reacties

Door Gijsbert op 10 jan 2017 | 14:05

Nico ziet helaas één heel essentieel punt over het hoofd, nl dat het huidige bekostigingsmodel onrechtvaardig is! Dat komt omdat in het huidige model, behalve de elementen die Nico noemt, ook politieke overwegingen een rol hebben gespeeld, om precies te zijn fusie-stimulerende motieven. Daardoor krijgt de ene school voor (bijvoorbeeld) een havo-leerling meer geld dan een andere, terwijl alle overige omstandigheden gelijk zijn. Dat wordt al jaren breed in den lande als onrechtvaardig gevoeld.

En het is hoognodig dat daar nu echt wat aan gedaan gaat worden, want diverse scholen hebben feitelijk al jaren met achterstelling te maken.

Je kunt dan best discussiëren over de parameters van het model. De aanduiding "vereenvoudiging" is ook eigenlijk onzin, want de oude formules waren echt niet zo ingewikkeld. Het is meer "onrechtvaardigheden eruit halen", alleen zal de politiek die term niet zo snel gebruiken en daarom kiezen voor de neutralere term "vereenvoudiging" .

De discussie over de parameters is overigens alle vele jaren gevoerd en er is al veel verfijnd in het model. Verder is goed dat er nog naar enkele knelpunten wordt gekeken, zoals het techniekonderwijs en het open kunnen houden van kleinere locaties die ver van een hoofdvestiging liggen. Maar ik vind principieel dat overeind moet blijven dat het eerlijker moet dan nu het geval is en dat dus (bijvoorbeeld) elke school voor een havo-leerling evenveel geld krijgt.

We moeten ons daarbij dan niet van de wijs laten brengen door scholen die jarenlang voordeel hebben gehad en nu (ook nog een keer heel gefaseerd) dat voordeel zien verminderen.

Met vriendelijke groet,
Gijsbert van der Beek, rector Altena College.

Nieuwe reactie inzenden

Nico Dullemans

adviseur identiteit
0438 74 41 18