U bent hier

Van Rupsje Nooitgenoeg naar Onderwijsonthaast

Wie weleens een blik heeft geworpen in de jaarlijkse inspectierapporten over de situatie van het onderwijs, zal de vele gekleurde afbeeldingen van statistische gegevens niet zijn ontgaan. Haast op elke pagina is een staatje afgedrukt, soms zelfs paginagroot. Beeld geeft overtuigingskracht, zo moet de gedachte van de redactie zijn geweest. Maar dit overvloedige gebruik heeft ook te maken met de ingewikkelde aard van het onderwijs. Vergelijk het maar met de volksgezondheid, het klimaat, of met de economie. Het zijn complexiteiten. Wil je inzage hebben in complexe situaties zoals onderwijs, wil je het gesprek voeren over oorzaken en gevolgen, dan heb je statistiek nodig. Meten is weten.

Maar het gevaar dat daarmee een werkelijkheid wordt overdreven en uitvergroot, ligt om de hoek. Een tweede gevaar is dat een systematische omgang met onderwijsstatistiek de gebruikers een vluchtig beeld van onderwijs geeft. Zijn complexiteit wordt uit het oog verloren. Door de bomen ziet men het bos niet meer. Veel details, weinig inzicht. Bovendien dreigt het gevaar dat statistiekbeelden buiten de kringen van schoolbeleid en onderwijspolitiek betekenisloos zijn of vervreemding veroorzaken.

Kortste weg

Cees Akerboom, die veertig jaar Nederlands gaf en vorig jaar met pensioen ging, heeft ervaren dat de breedte van zijn vak in de verdrukking raakte omdat de leerlingenresultaten van andere vakken, denk aan natuurkunde, wiskunde, biologie en economie, in zijn woorden “eenvoudig te visualiseren [zijn] in tabellen en grafieken.” Voor het vak Nederlands geldt dit veel minder.

De gevaarlijke kanten van het gebruik van onderwijsstatistiek heeft hij aan den lijve ondervonden.

Als wij Akerboom mogen geloven, heeft de voorliefde voor tellen-meten-weten geleid tot de volgende, algemeen gedeelde visie: de kortste weg is de beste. Hij vindt dit een groot probleem en schrijft: “Wanneer vakken met een ‘diepere dimensie’ worden weggedrukt naar de periferie van de lessentabel, dan betekent dit dat de leerlingen een royaal aanbod van contemplatieve lesstof wordt onthouden. Dat is een slechte zaak als we kijken naar de eisen die het Europese burgerschap aan de toekomstige Europese generatie stelt. Ik denk namelijk dat onderlinge samenwerking, het nemen van initiatief en dragen van verantwoordelijkheid steeds belangrijker worden.” Onderwijs over de kortste weg brengt smal ontwikkelde jonge mensen voort, die daarom niet goed zijn voorbereid op het moderne leven, volgens deze oud-leraar. Zo heeft de nadruk op meetbare leerlingenresultaten een averechts effect gekregen.

Aan de slag

Het kwantitatief denken in het onderwijs is wijdverbreid. Bill Banning, die twintig jaar lesgeven in het voortgezet onderwijs achter de rug heeft, vertelt: “Als je vraagt hoe een school presteert (sommigen spreken liever van ‘rendeert’), krijg je vaak ranglijsten, grafieken en tabellen te zien (ze hangen bij ons prominent in de docentenwerkplek; blijkbaar heeft de schoolleiding de illusie dat deze platen inspirerend werken).” Net als Akerboom signaleert Banning een kwalijk effect van deze drang tot kwantificering van onderwijsresultaten. Dat wat niet of moeilijk gemeten kan worden wordt “steeds meer veronachtzaamd of zelfs ontkend.” En: “Alles wat niet rechtstreeks naar het examen leidt, wordt vermeden.” Het is zijn stelling dat in deze situatie leraren “leerlingen onvoldoende uitdagen om zelf mee te denken.” (Zijn verhaal en dat van Akerboom staan in een bundel, waarover straks meer.)

Banning en Akerboom spreken met verstand van zaken, zo mogen we aannemen, maar zou er meer naar hen kunnen worden geluisterd? Zou daar ruimte en tijd voor kunnen komen? Bedenk dan wel dat de functie die onderwijs heeft gekregen zwaar mag worden genoemd, loodzwaar. Het heeft een maatschappelijke opdracht die betrekking heeft op “sociale samenhang, algemeen welzijn, economische groei en welvaart”, aldus het recentste jaarbericht van de inspectie. Scholen hebben daar kennelijk aan te gehoorzamen en zo is het onvermijdelijk dat de bijdragen die ze daaraan leveren, worden berekend en onderling vergeleken, ook in internationaal opzicht. Meten is weten.

De inspectie constateerde in haar laatste bericht dat problemen met prestaties of anderszins zijn toegenomen. Zo is segregatie volgens haar gegroeid. “We moeten aan de slag”, was de conclusie van de hoogste inspecteur.

Maar ook als er vooruitgang zou worden geboekt, is het niet genoeg. Zelfs als het Nederlandse onderwijs de ranglijsten zou aanvoeren, is het niet genoeg. Het is nooit genoeg. Dat is nu eenmaal de consequentie van het competitieverband waarin scholen en landen zijn gebracht. De koppositie kan volgend jaar misschien verloren gaan. Intussen pleit Cees Akerboom voor rust en een “slow school.”

Weer op verhaal komen            

De bevindingen van Banning en Akerboom staan in Eigen zinnen Over persoonlijke drijfveren in je werk, een bundel opstellen van mensen die werkzaam zijn in organisaties met een katholieke en algemeen-christelijke achtergrond. Naast onderwijs gaat het om sociaal werk, medische zorg, landbouw, wetenschappelijk onderzoek en charitatief werk.

In de inleiding vraagt samensteller Thijs Caspers zich af wat er zou gebeuren als mensen elkaar eens vertellen wat zij echt belangrijk vinden. Hij doet de suggestie om daarvoor eens de tijd te nemen, om eens “te vertragen”. Naar zijn inzicht zijn maatschappelijke organisaties uit op productie om daarover daarna verantwoording te kunnen afleggen. Die twee zaken zijn een doel op zich geworden, ook in organisaties met een christelijke achtergrond. Caspers vreest dat de “zingevende ‘bronnen’ overschaduwd [raken]” en “dan dreigt de eigenheid en daarmee de unieke inbreng van confessionele organisaties verloren te gaan.”

Afgaande op de ervaringen van Akerboom en Banning mogen we aannemen dat de oude fundamenten onder deze organisaties ten minste zijn aangetast. Toch is Caspers niet pessimistisch. De bijdragen in de bundel noemt hij een “rijke oogst”. De mensen die over hun werk schreven zijn hoopvol gestemd en waren bereid hun eigen kwetsbaarheid te laten zien. Boeiend is bijvoorbeeld Bannings ervaring met een balsturige klas en de fouten die hij erkende daarmee te hebben gemaakt. Een derde karakteristiek is het kritisch vermogen dat de mensen in de bundel tonen. Zij zijn zich bewust van de blinde vlekken die mensen kunnen krijgen, zie het eerdere relaas van de beide leraren. Ten slotte wordt in de bundel nog een licht geworpen op de immense waarde die de caritas heeft gehad voor maatschappelijke diensten zoals onderwijs. Het biedt de moderne mens, die geloof meestal een privézaak vindt, een verrassend doorkijkje. De werkers van destijds konden de missie van hun dienst helemaal niet los zien van hun geloof. (Hoewel daar ook mensen bezig zijn geweest, die zich ernstig misdroegen, zie de berichten over kindermisbruik en andere misstanden. Heiligheid en zondigheid onder één dak.) 

Thuis zijn in het onbekende

De neiging is er om steeds meer over de leerling te willen weten. Er is de drang om kleuters te testen en zelfs de periode daaraan voorafgaand, de kinderopvangtijd, wordt gekenmerkt door registratie en toetsing van de ontwikkelingsgang van de kleintjes. Hoe moeten we deze kennisdrang opvatten? In ander boek van hem legt Thijs Caspers de genuanceerde betekenis van kennis uit. Hij vertelt over beklimmers van de Mount Everest, die de berg willen bedwingen. Naderhand had een van hen gezegd: “De Everest had geen enkele aantrekkingskracht meer op ons nu de klus geklaard was.” Het Tellinglyvolk, dat dicht bij de berg woont, heeft een geheel andere beleving. In hun kring circuleren andere namen voor de berg: Chomolungma (‘moedergodin van de wereld’) en Sagarmatha (‘godin van de lucht’). Voor dit volk geldt dat het landschap zelf bezield is. Een berg beklim je daarom niet, maar je benadert hem voorzichtig en respectvol. De berg leeft.

De bergbeklimmers kijken anders dan deze mensen die daar permanent wonen. De klimmersgroep is gefixeerd op een prestatie. De andere, autochtone groep leeft met een mysterie, men leeft er in het onbekende.

Thuis zijn in het onbekende is de titel van dit boek van Thijs Caspers, die de lezer voorhoudt dat kennis en mysterie niet tegenover elkaar staan. In een doorgaande beweging trekken zij samen op, verklaart hij. “[Het is] een zwervende en zoekende beweging die op voorhand niet weet waartoe zij leidt of waar ze uitkomt, maar wel degelijk alert is op de verscholen betekenis die zich in de zoekende beweging aandient. (…) Zo beschouwd verdiept een toename in kennis het mysterie en houdt zij de beweging en de verwondering gaande.”

Caspers geeft een belangrijke boodschap af. Zie de berg als een ‘sacramenteel midden’ én als een object van aandacht. Pas die gedachte eens toe op de jeugd!

Esther van Poelgeest werkt in het speciaal basisonderwijs en vertelde eens: “Er zijn over de achtstegroepers harde gegevens, over het IQ, over de beheersingsniveaus. Maar dan ga ik kijken: welk kind schuilt daarachter? Hoe gaat het om met onverwachte situaties? Kan het zelfstandig reizen? Dat bespreek ik met het zorgteam.” En: “Ik ga mee in het gevoel dat de ouders bij hun kind hebben, zij kennen het immers. Maar wij blijven bij het schooladvies. Dat is zo gedegen en draait om het kind. Dat kan een te laag IQ hebben om naar het vmbo te gaan en toch is dat soms het advies. Het kind is dan heel zelfstandig, het kan het vmbo aan. Als ik het goed onderbouw en erover in gesprek ga, is er een kans dat het kind ook wordt toegelaten.” (Haar verhaal staat in: Leraar, hoe doe je dat? Vakmanschap in beeld, Gert Biesta, Jan Bot, Nico Dullemans.)

Christelijke traditie

De beide boeken van Thijs Caspers zijn een voortvloeisel van het project De katholieke traditie opnieuw een levende kracht, dat geleid wordt door Erik Borgman, hoogleraar theologie en een lekendominicaan. Hem gaat het erom dat de relatie tussen maatschappelijke kwesties (zoals de kennelijke onvrede met ‘meten is weten’) en de christelijke traditie “allereerst geleefd wordt.” Denk hierbij aan de praktijk van Esther van Poelgeest, die lesgeeft op De Arend, een christelijke school. In zo’n concrete onderwijspraktijk kan de traditie “opnieuw bespiegeld worden en op vernieuwende wijze worden doordacht en ter sprake gebracht.” Dan blijkt wel of ze nog zeggingskracht heeft in de hedendaagse Nederlandse samenleving.

Reageren? Neem contact op met identiteitsadviseur Nico Dullemans.

Nieuwe reactie inzenden

Nico Dullemans

adviseur identiteit
0438 74 41 18