U bent hier

Schoolrijpheid bestaat echt!

Een heel klein meisje, net baby-af, kreeg van de crèche een heus rapportje mee. “Het tellen mag wel geoefend worden”, staat erin. Grappig genoeg telt het meisje wel als het thuis met een van haar ouders de trap opgaat. De crèche krijgt haar niet zover. Wat weten wij eigenlijk van de ontwikkeling van het jonge kind?

Niet zelden is het een toevallige ontmoeting, die een pijnlijke herinnering oproept. Vorige week kwam ik haar tegen in een supermarkt, een gepensioneerde hoofdleidster. Lang geleden had ik met haar te maken. Ik bezocht regelmatig haar school. Zo was ik er op een dinsdagmiddag, de wind was schraal, maar de zon scheen. Haar kleuters waren in de weer in de zandbak. Zijzelf zat op de rand ervan en ik ging naast haar zitten.

"Wanneer neem je ze weer mee naar binnen?” Ik stelde de vraag al vroeg in ons gesprek. Rustig legde ze aan mij uit dat kleuters leren dankzij hun spelen, ook wel wetend dat het mij daarom te doen was: hun leren. Ik legde me bij haar uitleg neer, zij had tenslotte recht van spreken.

Het gaat trouwens om een elementair inzicht. Inderdaad, als er al iets door kleuters wordt geleerd, dan is het spelend. Mijn vraag destijds was onnozel. Ik kom hierop omdat er kortgeleden een studieboek over het jonge kind verscheen. Drie pedagogen met emeritaat leggen het ons nog eens uit, even geduldig als mijn kleuterleidster. In de basisschool mag er sprake zijn van een zogenoemde doorlopende leerlijn, maar niet in pedagogische zin. Baby, peuter, kleuter, het aanvankelijke schoolkind en het schoolkind: elke leeftijdsperiode heeft zo haar eigen kenmerken. Het is beter om deze te respecteren. Pousseren van de ontwikkeling van jonge kinderen kan namelijk schadelijk voor hen zijn.

Sieneke Goorhuis-Brouwer was hoogleraar orthopedagogiek, Wilna Meijer universitair hoofddocent pedagogiek en Jan Dirk Imelman hoogleraar pedagogiek. Zij hebben zich er nog eens aan gezet: de beschrijving van een helder kader van de ontwikkeling van het jonge kind (tot 10 jaar). Een schoolbestuurder begroet dit in het voorwoord van hun boek met grote instemming. Hij, Jos de Mönnink, bestuursvoorzitter van de Stichting Veldvest, waarschuwt tegen onwetende leraren. Het gevaar is dat het jonge kind “te vroeg in de mal van het schoolkind wordt geperst.” Kennelijk is hun boek nodig.

De opvoeding van het kleine kind is vooral een ontwikkeling volgende en een ontwikkeling beantwoordende opvoeding, schrijven ze. Het draait om gewenning en gewoontevorming.

Twee belangrijke lijnen in hun denken komen in de twee voorgaande zinnen samen: kinderen ontwikkelen zich van binnenuit, maar wel in een cultuur die krachtig haar stempel drukt. Dat laten de ongearticuleerde klanken van de baby ons horen. Daar valt namelijk uit op te maken of het om een Chinese, Nederlandse of Colombiaanse baby gaat. “Weliswaar ‘dragen’ pasgeboren kinderen nog geen cultuur, maar hun – bij gebrek aan instincten – ongelooflijke vermogen om al lerend cultuur te verwerven [hun ‘vormingsplasticiteit’], laat ze voorbestemd zijn tot cultuurdragers.”

Mensen zijn cultuurwezens, in veel mindere mate natuurwezens. Misschien dat dit ons ertoe brengt de impregnerende cultuur nog een handje te helpen, bijvoorbeeld door het aanvankelijk leesonderwijs te vervroegen. Maar dit heeft geen enkele zin. Een kleuter kan vaardig zijn met letters, zijn fonemisch bewustzijn [besef van betekenisverschil van kleinste klankeenheden, ‘p’ bijvoorbeeld] is meestal nog niet voldoende gevormd om met aanvankelijk lezen te kunnen beginnen. Kleuters zijn er nog niet rijp voor.

Wie denkt dat ‘schoolrijpheid’ een achterhaald begrip is, uit de tijd dat onze kleuterleidster hierboven de Kleuter Leidster Opleiding School (in de wandeling: KLOS) bezocht, zou dit boek eens moeten lezen. Beslissend is het ontstaan van de triangel het kind-de ander-het ding, langzaam maar zeker. In het eerste levensjaar ontstaat het onderscheid tussen mensen en dingen, in het tweede en derde jaar het onderscheid tussen gedachten en dingen. In de kleuterperiode ontstaat begrip van ‘denken’: geheimen en verrassingen bijvoorbeeld, trucjes en leugens worden begrepen en zelf gehanteerd. Pas in de periode daarna ontstaat het besef dat een ander anders kan denken dan jij. “Deze mogelijkheid van kritische en zelfkritische reflectie is – naast taakbesef, aandacht en concentratie – essentieel om bewust de rol van leerling aan te kunnen nemen.” Dan krijgt de triangel een pedagogische betekenis: leerling-leraar-curriculum.                    

Jan Dirk Imelman, Sieneke Goorhuis-Brouwer, Wilna Meijer, Psychologie en pedagogiek van het jonge kind, Over ontwikkeling, stimulering en vormingVan Gorcum, Assen, 2019

Nieuwe reactie inzenden

Nico Dullemans

adviseur identiteit
0438 74 41 18