U bent hier

Heeft het onderwijs wel zo’n sterke zaak?

Er is zo veel discussie, zo veel verschil van mening over kwesties die het onderwijs aangaan. Maar als er iets is waarover we het wel eens zijn dan is het zijn grote belang voor individu en samenleving. Onderwijs levert ons allen een niet te onderschatten voordeel op. Het zorgt voor vaardige mensen.

Dit is maar beperkt het geval, stelt Bryan Caplan. Wat geleerd wordt, blijkt later meestal nutteloos te zijn en is ook tamelijk snel vergeten. Wij kunnen met veel minder onderwijs toe, zonder dat wij daarvan achteruitgang ondervinden, zo is de stelling van deze Amerikaanse econoom.      

Tijdens de afgelopen herfstvakantie maakte minister Arie Slob bekend, dat de wettelijke voorschriften voor het afnemen van het schoolexamen zullen worden verzwaard. Hij wil een uniformer regime omdat, zo is gebleken, het voortgezet onderwijs de organisatie van dit examen nogal losjes opneemt. De controle erop is vooral administratief; het toezicht heeft nauwelijks betrekking op de inhoud en het niveau van deze examens. De minister is bang dat hierdoor het civiel effect van diploma’s zal verminderen. Hun waarde zal dalen in het maatschappelijk verkeer. Zo verliezen diploma’s hun ‘signaalwaarde’, een centraal punt in The Case Against Education (Why the Education System Is a Waste of Time and Money), het boek dat Caplan in 2018 publiceerde.

Anders dan veel economen beweren zorgt onderwijs niet zozeer voor een goed opgeleide bevolking, als wel voor signalering: mensen met een middelbareschooldiploma of een universitaire graad geven een bruikbaar signaal af. Daarmee verwachten de werkgevers dat het met de intelligentie van betrokkenen, hun toewijding en aanpassingsvermogen, de drie door hen zo gewaardeerde eigenschappen, wel goed zit. Werkgevers menen zo de selectie van sollicitanten efficiënt te kunnen uitvoeren. Caplan schrijft: “Er is een sterk verband tussen een succesvolle schoolloopbaan en succes in het beroepsleven.” Niet omdat gediplomeerden vanzelfsprekend meer weten en kunnen dan mensen zonder diploma, maar omdat zij kennelijk over de drie bovengenoemde eigenschappen beschikken, die ook op het werk belangrijk worden gevonden. (Dit is geen nieuwe theorie overigens, zoals hijzelf benadrukt.)

Wat mensen leerden op school blijkt later op het werk merendeels niet nodig en wat zij wel nodig hebben, leren zij daar. Dit samen met die drie eigenschappen redden zij het wel. Leren in de praktijk is ook zo’n punt van Caplan. Werk houdt leren in, waarmee het deels onderwijs ondervangt. Voor een deel maakt werk onderwijs overbodig. Niet dat Caplan daarmee zijn pijlen op het beroepsonderwijs richt. (Hij wil daarvan meer, waarbij hij niet in de eerste plaats denkt aan het initiële beroepsonderwijs, maar met name kortdurende, op de praktijk geënte opleidingen op het oog heeft, die op het werk meteen hun nut zullen bewijzen.) Neen, het zijn vooral de middelbare scholen en de universitaire studies (technische en medische opleidingen uitgezonderd) die hij ter discussie stelt. Deze zouden veel ballast hebben. Veel van wat daar wordt geleerd, laat zich niet overdragen naar de modale werksfeer. “De wereld is gevuld met academische specialisten zonder een passend beroep”, merkt Caplan op. Hij doelt op onder anderen filosofen, taalkundigen en historici.

Deze mensen, met hun “Mickey Mouse studie”, vinden vervolgens werk, bijvoorbeeld in de horecasector en de beveiligingsindustrie. Dankzij de signaalfunctie van hun universitaire graad zijn hun verdiensten behoorlijk hoger dan het inkomen van even capabele collega’s die niet hebben gestudeerd (wel 30% hoger). Zo’n afgeronde studie is dus helemaal niet belachelijk, vindt Caplan. Afronding wordt beloond met een bonus. “Ondanks het zwakke effect dat onderwijs op het vaardigheidsniveau van mensen heeft, blijft het in de moderne economie de veiligste weg naar welvaart”, schrijft hij. 

Een succesvolle schoolloopbaan betekent een positieve, persoonlijke opbrengst, aldus Caplan. Maar hoe staat het met de maatschappelijke opbrengst daarvan? Die is mager of misschien zelfs nul, stelt hij. Een positief verband met economische groei, en ook bijvoorbeeld met lage criminaliteit, goede gezondheid en stimulerend ouderschap, is volgens hem niet overtuigend aangetoond. Zo noemt hij onderzoek naar het verband met economie “verward.” Zijn veronderstelling is dat persoonlijke en maatschappelijke opbrengsten toenemen naarmate leerlingen en studenten over meer aangeboren mogelijkheden beschikken. Onderwijs geeft daarvoor niet de doorslag.

Maar als het zo ligt, als Caplan een gewichtig punt maakt, als er te veel onderwijs is, dan staat ons nog wat te wachten. “Veruit mijn belangrijkste beleidsaanbeveling is: versobering”, schrijft hij. Minder onderwijs. Gooi de alfavakken overboord. Stuur jonge mensen sneller de arbeidsmarkt op, waar ze immers veel leren. Laat alleen de knappe koppen doorleren. Voortaan zullen onderwijsbezuinigingen als pijnloos worden voorgesteld. Ze zullen worden toegejuicht zelfs. Kapitalen komen vrij voor echte noden.    

Is hier iets tegen in te brengen? Caplan laat twee centrale, pedagogisch getinte motieven voor onderwijs onbesproken.         

In de eerste plaats geldt er het cultuurpedagogische belang van de samenleving. Wat vraagt de samenleving van volwassen staatsburgers? Wat dient de opgroeiende generatie te leren en hoe moeten jonge mensen worden gevormd? Jan Dirk Imelman, pedagoog, benoemt dit als ‘de pedagogische kwestie’ omdat tegenwoordig hierover in diezelfde samenleving zo weinig overeenstemming is.

In de tweede plaats geldt (in vervolg op het bovenstaande) een onderwijspedagogisch belang, dat over de aard van onderwijs gaat. Gert Biesta, onderwijspedagoog, stelt dat het onderwijs de opdracht heeft een verlangen bij de leerlingen op te wekken naar een volwassen levenswijze. Dit wordt persoonsvorming of subjectificatie genoemd (die overigens niet naast kwalificatie en socialisatie, de twee andere opdrachten van het onderwijs, staat, maar door vakkundige leraren daar doorheen wordt geweven).

Inderdaad, Bryan Caplan heeft misschien wel gelijk, dat onderwijs veel minder bijdraagt aan de economie dan vaak wordt gedacht. Maar economie maakt de zaak van onderwijs niet sterk; het is zijn pedagogiek die dat doet. Een school is daarvoor de unieke ruimte.

Nieuwe reactie inzenden

Nico Dullemans

adviseur identiteit
0438 74 41 18