U bent hier

De school als spiegelkabinet - deel 2

In het eerste deel van deze blog werd stil gestaan bij de belangen die in het geding zijn als besloten wordt tot een curriculum. Vervolgens is gewezen op de vergeten samenhang tussen opvoedend onderwijs en de cultuur. In deel 2 wordt een uitzicht geboden om de ontstane situatie rond het curriculum op te klaren.

Weten waarom

Hoogleraar theologie Erik Borgman schrijft in een artikel uit 2017, “dat onze voorstelling van de wereld sterk bepaald wordt door wat wij denken erin te doen te hebben. (…) De oplossingen die wij denken te hebben, bepalen de problemen die wij zien, en zorgen ervoor dat we vooral problemen zien.”

Wat denken wij vandaag de dag te moeten doen wat onderwijs en opvoeding betreft? Welke problemen zien we? In Ons onderwijs 2032, het eerdergenoemde plan, is onderwijs in het licht geplaatst van de vaardigheden die mensen nodig zouden hebben in een competitieve, mondiale economie en in een multiculturele samenleving. Vaardigheidsonderwijs zou een oplossing voor deze maatschappelijke omstandigheden zijn.

Borgmans achterliggende punt is de maakbaarheidsgedachte, waar wij door lijken te zijn bevangen, ook in het onderwijs. Hij schrijft: “Wij zien onszelf als makers, dus zoeken en vinden we zaken die erom vragen gemaakt, gefikst te worden.” Hij plaatst tegenover dit activisme een contemplatieve houding. In zijn visie zijn “het goede en het ware, die zich uiteindelijk niet werkelijk laten representeren, bezig (…) aan het licht te komen.” Daar is ruimte en geduld voor nodig, tijd voor bezinning, tijd om onszelf de waaromvraag te stellen.

Wilna Meijer, die tot aan haar pensionering aan de RUG pedagogiek heeft gedoceerd, schreef in 2013 een boek met de titel Onderwijs: Weer weten waarom. Zij verzet zich tegen de aanname van veel mensen dat de school moet doen wat de samenleving vraagt. Zij wijst op wettelijk voorgeschreven kerndoelen die volgens haar “een directe maatschappelijke relevantie laten zien”, met name geldt dit tegenwoordig voor ‘burgerschap’.

Meijer spreekt van een eigen betekenis van de school, namelijk “opvoedend onderwijs”. Onderwijs en opvoeding horen bij elkaar en hebben als oogmerk de algemene vorming van jonge mensen (zoals hierboven door Imelman is toegelicht). Dan past het niet op de toekomst vooruit te lopen (wat Ons onderwijs 2032 mag worden verweten). De toekomst moet aan de jeugd worden gelaten. Meijer: “Door (…) de toekomst al in te vullen, pakt de oudere generatie de toekomst eigenlijk van de nieuwe generatie af. Dat is pedagogisch beschouwd verwerpelijk, omdat de nieuwe generatie recht heeft op een eigen toekomst, een toekomst die vanuit het perspectief open is, open hoort te zijn en open hoort te blijven.” Ze noemt het daarom een misverstand om in het onderwijs te beginnen met doelenstellen. Want, “dat men door onderwijs en vorming zelf verandert, dat men eraan begint zonder precies te weten wat er dan zal gaan gebeuren, [maakt] dat het om iets gaat dat niet planbaar is. Het is open wat er uitkomt – dat is de cruciale idee hier (…).”                     

Kleiner doen

Meijer lijkt echter een roepende in de woestijn te zijn, want hoe anders is de toonzetting van de gebruikelijke teksten over onderwijs en opvoeding. Exemplarisch is Curriculumspiegel 2017 van SLO, die zich ‘nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling’ noemt. In deze publicatie wordt meteen met de deur in huis gevallen: “De maatschappij vraagt van het onderwijs dat het leerlingen door middel van kennisontwikkeling en maatschappelijke vorming toerust voor het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt en participatie in de samenleving.” Wat gebeurt hier?

Terwijl Meijer – in lijn met de grondbegrippen van Mollenhauer (hierboven) – samenhangend argumenteert over “vorming, de zaak [de inleiding in de cultuur, de leerstof] en het zelf [iedere jonge mens die een nieuw begin kan maken]”, focust SLO meteen op kwalificatie (kennis) en socialisatie (vorming), de twee functies die het onderwijs in maatschappelijk opzicht zijn toegedicht. De derde functie die wordt genoemd, ‘persoonsvorming’, laat SLO rusten, omdat een meerderheid in de Tweede Kamer, verwijzend naar de grondwettelijke vrijheid van onderwijs, dit een exclusieve zaak van de school vindt. Meijer brengt de drie functies om pedagogische redenen bij elkaar, SLO houdt ze om maatschappelijke en politieke redenen uit elkaar. Meijers pedagogische benadering maakt een contemplatieve houding mogelijk, waar hierboven Borgman voor pleit. Maar de pedagogiek wordt in de maatschappelijk-politieke benadering van SLO overgeslagen, om meteen te focussen op vermeende problemen (aansluiting op vervolgonderwijs, toetreden tot de arbeidsmarkt en meedoen in de samenleving) en oplossingen. Er spreekt de maakbaarheidsgedachte uit, waar Borgman voor waarschuwt (en waar wij, wat hem betreft, radicaal mee zouden moeten breken).

Eigenlijk zou er groter moeten worden gedacht en kleiner gedaan. Dit is de boodschap van Herman Tjeenk Willink, oud-voorzitter van de Eerste Kamer en voormalig vice-president van de Raad van State. Eind vorig jaar bracht hij een pamflet uit met de titel Groter denken, kleiner doen, een oproep die bestemd is voor de overheid, maar andere instanties hebben er ook wat aan.

In het kort gezegd komt het erop neer dat de overheid de instituties van de democratische rechtsorde (met name de scheiding van de drie staatsmachten) verwaarloost, terwijl – groter gedacht – ze van beslissend belang zijn voor een ordentelijke samenleving. Onderwijl houdt de overheid zich bezig met de regulering van maatschappelijke voorzieningen, zoals de zorg en onderwijs, waar in het verleden het Particulier Initiatief (met hoofdletters) zorg voor droeg. Deze regulering ontbeert wat Tjeenk Willink ‘inhoudelijke ijkpunten’ noemt. In plaats daarvan is ze geënt op bedrijfseconomische en bestuurskundige modellen. Het eigen ethos van de uitvoeders (Tjeenk Willink noemt rechters, onderwijzers en medisch personeel) wordt hiermee miskend. Hij roept hen dan ook op hiertegen in opstand te komen.

De overheid zelf zou zich intussen moeten bezighouden met het onderhoud van de rechtsstaat en zich verder in daad kleiner moeten maken op de terreinen van het maatschappelijk leven. Daar zou het primaat bij de uitvoerders moeten liggen.   

In de onderwijssector zou de behoefte aan groter denken bevredigd kunnen worden door de pedagogen die hierboven zijn aangehaald, Imelman, Mollenhauer en Meijer. Vervolgens helpt Borgman ons de stap te maken naar ‘kleiner doen’, in beleid, maar ook op school. Cruciaal hiervoor is zijn (theologische) voorstelling van de plaats waar wij staan: wij staan op heilige grond. “Dit is de werkelijkheid waar zich Gods toekomst aandient,” verklaart hij in een interview.

In de onderwijsruimte betekent dit, dat het de jonge mensen en hun leraren zijn, die, als beelden van God, aan het licht kunnen komen. Dat je daarvoor groot moet denken en tegelijkertijd klein kijken en doen, maakt het christendom duidelijk: “Dat de kosmos op het spel staat in een pasgeboren kind in de stal”, zegt Borgman in het bovenbedoelde interview.

Daartoe bekeerd zien we in de onderwijsruimte kwetsbare mensen bezig, die zich echter gedragen voelen. Een diep-humane, betekenisvolle plaats, waar jonge mensen zich voorbereiden om een nieuw begin te kunnen maken. De school die zo’n ruimte wil zijn, wat zal haar curriculum weerspiegelen? 

Nieuwe reactie inzenden

Nico Dullemans

adviseur identiteit
0438 74 41 18