U bent hier

Zinnig en zuinig. Wanneer stopt het wantrouwen?

Op de met stip minst doelmatige dag van het jaar, sinterklaas 2018, stuurde de minister een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer, met daarin een wijziging van artikel 171 lid 1 onder b en artikel 175 WPO, en de parallel daaraan lopende artikelen in de WEC en de WVO. Het gaat om een voorstel dat in het jaarverslag moet worden meegedeeld of er “sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de bekostiging”. De inspectie kan dat in opdracht van de minister onderzoeken. Als blijkt dat gelden ‘evident ondoelmatig’ zijn besteed kan terugvordering plaatsvinden.

Toezicht en opdracht zijn er al

Naar mijn idee is dit voorstel van de minister verre van doelmatig, want er is al een instantie die daarop toeziet. En wanneer die instantie tot de conclusie komt dat de gelden – niet eens ‘evident’ – ondoelmatig worden besteed, is ook een sanctie mogelijk: het ontslag van de bestuurder. Het is de interne toezichthouder van het bevoegd gezag. Die heeft al in 2010 gewoon van de wetgever de opdracht gekregen toe te zien “op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school verkregen op grond van deze wet”.

Het bestuur en de interne toezichthouder zijn uitstekend in staat afspraken te maken over wat doelmatig is bij de besteding van de middelen. Ze kijken dan of bepaalde uitgaven zinnig zijn, dus het doel van de school dienen, en of dat op een zuinige manier gebeurt. Daar komt nog bij dat de toezichthouder in het jaarverslag moet melden hoe hij vorm heeft gegeven aan de opdrachten die de wetgever hem heeft toebedeeld, dus ook hoe hij toezicht heeft gehouden op de rechtmatige verwerving enzovoorts.

Wat is ondoelmatig?

Je vraagt je dus af of de wetgever de interne toezichthouder wel vertrouwt. Als er sprake is van wantrouwen, is daar dan reden voor? Ik weet bijna zeker dat de meeste toezichthouders hun werk prima doen, net als de meeste bestuurders. Hoeveel incidenten zijn er binnen de ongeveer 8.000 door de overheid bekostigde onderwijsinstellingen? Zouden het er veertig zijn, een half procent? En hoeveel geld van de ruim 40 miljard euro die aan het onderwijs ter beschikking wordt gesteld is daarmee gemoeid? Zou het vier miljoen euro zijn, een promille?

Let wel: we hebben het over ondoelmatig, niet over onrechtmatig. De besteding is dus wel rechtmatig – het geld mocht voor dat doel worden uitgegeven – maar het had ook anders of goedkoper gekund, zinniger en zuiniger. Natuurlijk is elk geval van ondoelmatige besteding er een te veel. Waar echter het probleem ontstaat is de definitie van het begrip.

Lunchen met de leerkrachten

Een voorbeeld. Werkboeken bij de lesmethode voor bepaalde vakken zijn erg duur. Is de aanschaf daarvan een ondoelmatige besteding? Of is het beter dat de leerkracht dan zelf maar oefenstof ontwerpt, die dan door de conciërge wordt gekopieerd?

Een ander voorbeeld: De bestuurder van vijftien basisscholen nodigt eens per twee weken een groep leerkrachten uit voor een lunch in een plaatselijk restaurant. De ene keer heeft hij alle leerkrachten van groep 1, de volgende keer van groep 2, enzovoorts. Dat kost per keer zo ongeveer € 400. Het effect is dat de leerkrachten elkaar leren kennen, over onderwijs spreken, over hun aanpak van bepaalde problemen en spontaan elkaar opzoeken. “Het is de goedkoopste vorm van deskundigheidsbevordering!”, aldus de bestuurder.

Of deze: Door het lerarentekort gaat een bestuurder in zee met een uitzendbureau, dat wel een leerkracht wil leveren, maar dan voor een tarief dat je voor een regulier benoemde meerscholendirecteur nog niet kwijt bent, zo’n € 9.000 per maand. Het alternatief is leerlingen naar huis sturen. De bestuurder ziet geen andere mogelijkheid dan met deze afpersers in zee te gaan.

Een laatste voorbeeld. De nieuwe directeur richt zijn kamer opnieuw in. Hij schaft – op kosten van de school uiteraard – een nieuw bureau aan, een nieuwe stoel, een nieuwe vergadertafel en stoelen, en zet ook nog een door een lokale beeldhouwer gemaakte sculptuur neer. Is dat ondoelmatig?

De onderbuik

De vraag is dus eigenlijk hoe je bepaalt of iets ondoelmatig is. Wel, de wetgever vindt dat de overheid daarover een oordeel mag hebben. Hoe dat zich dan weer verhoudt tot de in artikel 23 GW geproclameerde vrijheid van inrichting is me nog een raadsel, maar duidelijk is wel dat het van overheidswege gevormde oordeel meer gebaseerd zal zijn op de onderbuik van de betrokken inspecteur dan op harde, verifieerbare normen.

Dergelijke vage kaders hebben we al meer dan genoeg. Ik kan er zo een paar noemen uit het huidige onderzoekskader dat de onderwijsinspectie hanteert: kwaliteitscultuur, een uitdagende leeromgeving, effectief benutte onderwijstijd, actieve dialoog. In de praktijk blijkt dan ook dat de onderscheiden inspecteurs hier verschillend mee omgaan. Dat geeft niet, maar wek niet de indruk dat het hier gaat om objectieve oordelen, en realiseer je dat die oordelen – boterzacht – wel naar de buitenwacht worden geventileerd: “Op school x moet nog veel gebeuren aan de kwaliteitscultuur.” Straks komt er dus te staan dat het bestuur van y te kort schiet op het punt van een doelmatige besteding van de middelen. Fijn! De toezichthouder krijgt dan ook meteen een veeg uit de pan, want die heeft daar kennelijk onvoldoende op toegezien. Dat is dan niet een oordeel gebaseerd op bijvoorbeeld afspraken tussen de toezichthouder en het bestuur, maar op de ideeën van de inspecteur, die wellicht op een associatieve manier zich afvraagt of hij zelf bepaalde uitgaven gedaan zou hebben.

Is dat zinnig?

Welnu, de minister wil dat voortaan de inspecteur hier op gaat letten, met voorbijzien van de interne toezichthouder. Een nieuwe taak voor de inspectie. Dat zal ongetwijfeld leiden tot vacatures bij de onderwijsinspectie, en een groter budget. Is dat zinnig? Mijn antwoord kunt u raden. Mijn voorstel zou zijn het aantal inspecteurs terug te brengen tot het absolute minimum, en de boventallige leden van de onderwijsinspectie (weer) in te zetten als leerkracht. Scholen hoeven dan geen gebruik meer te maken van te dure uitzendkrachten of zzp’ers. Het mes snijdt aan twee kanten: zinnig, én zuinig. En de toezichthouder ziet er wel op toe dat de bestuurder geen sinterklaas speelt.

Reacties

Door Gerhard Deetman op 21 mei 2019 | 08:31

De inhoud van dit artikel is uit mijn hart gegrepen! Wat wordt de volgende stap: dat elke school net als een gemeente een rekenkamer krijgt om doelmatigheid te controleren? We zouden eens een keer moeten kijken hoe doelmatig al deze nieuwe regelgeving is!

Nieuwe reactie inzenden

Kees Jansen

jurist
0348 74 44 34