U bent hier

Onafhankelijk toezicht maakt afstand tussen samenwerkingsverband en werkvloer nog groter

In een samenleving die steeds minder moet hebben van steil calvinisme is het opmerkelijk dat de geneigdheid van de mens tot alle kwaad een steeds populairder leerstuk is. Enkele decennia geleden had nog niemand van intern toezicht gehoord. Een schoolbestuur bestond uit bevlogen vrijwilligers, die het beste met de school voor hadden. Zij waren gekozen door de leden van de schoolvereniging, juist vanwege hun betrokkenheid bij het reilen en zeilen van de school. 

Sinds de schaalvergroting binnen het onderwijs mede vanuit de overheid werd ingezet verdween langzamerhand de verenigingsstructuur uit beeld. Scholen werden in stand gehouden door stichtingen, de stichtingen fuseerden, de bestuurders werden professionals, en – mede vanwege een aantal incidenten die volgens sommigen de zondige aard van de besturende mens op schokkende wijze blootlegden – er moest een scheiding komen tussen bestuur en intern toezicht. En daardoorheen werd Passend Onderwijs ingevoerd.

De invloed van de scholen

Al in het commentaar van de Raad van State op het wetsontwerp wees de Raad er op dat ‘(D)e scholen invloed op de inrichting van het onderwijs [verliezen] door het grootschalig opgezette samenwerkingsverband: het zorgbudget wordt uitgekeerd aan het samenwerkingsverband en het is het samenwerkingsverband dat bepaalt welke vormen van zorg de scholen mogen of moeten bieden. Omdat de wet geen eisen stelt aan de besluitvorming binnen het samenwerkingsverband, is er geen garantie dat de positie van afzonderlijke scholen zal worden gerespecteerd. Het samenwerkingsverband is een organisatie die niet is gebonden aan een bepaalde richting. Het legt ook geen verantwoording af.’   

En een paar pagina’s verder: ‘De Afdeling acht het onwenselijk dat het samenwerkingsverband de school op die manier in haar bewegingsvrijheid kan beperken.’ 

Schoolbesturen hebben invloed op ‘hun’ geld

De samenwerkingsverbanden functioneren nu enkele jaren. In veel samenwerkingsverbanden is een directeur aangesteld, zitten de schoolbestuurders qualitate qua in het bestuur van het samenwerkingsverband, en worden de gelden voor ondersteuning via het samenwerkingsverband over de scholen verdeeld. In andere gevallen heeft men een bestuurder voor het samenwerkingsverband aangesteld en maken de schoolbestuurders deel uit van het orgaan dat het intern toezicht op de bestuurder voor zijn rekening neemt. 

Daarmee is in elk geval min of meer gegarandeerd dat de miljoenen waarover het samenwerkingsverband beschikt - en die bij de invoering van Passend onderwijs in 2014 bij de schoolbesturen werden weggehaald – ook weer aan de scholen ten goede komen. De verdeling daarvan geschiedt uiteraard niet altijd tot ieders tevredenheid , maar hoe dan ook, de schoolbesturen hebben invloed op de manier waarop ‘hun’ geld wordt besteed. 

Inspectie en sectorraden willen het anders

Intussen klinkt nu ook de roep om een onafhankelijk toezicht op de samenwerkingsverbanden. De onderwijsinspectie heeft al enkele jaren geleden een duit in het zakje gedaan door opmerkingen te maken over de juridische structuur van samenwerkingsverbanden. Het onafhankelijk intern toezicht zou onvoldoende uit de verf komen, wanneer de schoolbesturen zelf het toezichthoudend orgaan vormen.  

In het veld horen we dat de onderwijsinspectie zelfs hier en daar zogeheten herstelopdrachten geeft met betrekking tot de juridische structuur. Men realiseert zich kennelijk onvoldoende dat het intern toezicht zo ongeveer de lichtste vorm is om uitvoering te geven aan de wettelijke opdracht ‘deel te nemen’ in de rechtspersoon van het samenwerkingsverband.  

Ook vanuit de sectorraden is een voorstel gedaan om het intern toezicht weg te halen bij de besturen van de scholen. In het gunstigste geval maken de schoolbestuurders dan nog een minderheid uit van het toezichthoudend orgaan van het samenwerkingsverband. Terwijl Huisman en Reijken constateren dat de afstand tot het samenwerkingsverband voor veel van degenen die belang (zouden kunnen) hebben bij zijn activiteiten nog steeds groot is , stelt het regeerakkoord, en in navolging daarvan de PO- en de VO-raad, dat die afstand nog groter moet worden door zelfs het intern toezicht op de samenwerkingsverband bij de schoolbesturen weg te halen.

Regionale educatieve autoriteit gecreëerd

De vraag dringt zich op wat dan nog de inhoud van ‘deelname aan het samenwerkingsverband’ is. In feite wordt er een soort regionale educatieve autoriteit gecreëerd. De weg is daardoor geopend om ook andere delen van de bekostiging via het samenwerkingsverband te laten lopen. Nu is al duidelijk dat vanuit het samenwerkingsverband sterk gestuurd wordt op de bij zijn bestuurder levende onderwijskundige en pedagogische visies. Daardoor kan het bijvoorbeeld gebeuren dat het samenwerkingsverband geen gelden beschikbaar stelt om hoogbegaafde leerlingen te ondersteunen, en een schoolbestuur dat toch iets wil bieden voor deze leerlingen zich daardoor genoodzaakt ziet een forse eigen bijdrage van de ouders te vragen – wat natuurlijk niet mag.  

Naar het oordeel van Verus wordt door de voorstellen het intern toezicht volledig los te maken van de participerende schoolbesturen de afstand tussen samenwerkingsverband en werkvloer nog groter, terwijl van de ‘externe-interne’ toezichthouders nauwelijks enige reële betrokkenheid verwacht mag worden bij waar het echt om gaat: passend onderwijs voor alle kinderen die extra ondersteuning behoeven. 

Eigenlijk is de achterliggende vraag wellicht het steeds terugkerende dilemma tussen betrokkenheid en distantie van toezichthouders. De PO- en de VO-raad kiezen nu, in navolging van het regeerakkoord, voor distantie, ten koste van de betrokkenheid. Maar zouden die nieuwe toezichthouders echt minder slechte mensen zijn dan de huidige?

Reacties

Door Diane Middelkoop op 30 mrt 2018 | 00:30

Goed verwoord. Waar zijn we mee bezig?

Door Gijsbert_van_de... op 30 mrt 2018 | 10:31

Dag Kees,
Inhoudelijk ben ik het me je eens, maar je verwoording van het standpunt van de VO-raad (en de PO-raad) verdient enige nuancering. Het is nl niet zo dat de VO-raad nu ineens een inhoudelijke switch heeft gemaakt (want men was altijd tegen een opgelegd extern toezicht) maar dat men zich heeft gerealiseerd dat het inmiddels een politieke realiteit is. Je staat dan voor de keuze om het aan de politiek over te laten om het verder inhoudelijk te bepalen òf om zelf toch nog een stuk regie te houden door een voorstel te doen. De VO-raad (en de PO-raad) heeft gekozen voor dat laatste. Hoewel ik het inhoudelijk nog steeds een dwaas idee vindt van de politiek om dat externe toezicht op swv af te dwingen en ik het inhoudelijk geheel met jouw argumentatie eens ben, kan ik de opstelling die de VO-raad (en de PO-raad) nu kiest wel begrijpen.

Met vriendelijke groet, Gijsbert van der Beek.

Door Martin Jan de Jong op 30 mrt 2018 | 21:38

Beste Kees,

Je verwoordt een standpunt dat ik ook al jaren verwoord. Het grootste SWV waar ik lid van ben heeft van de inspectie weliswaar de opmerking gehad dat de bestuurlijke inrichting van het SWV niet voldoet aan de eisen van scheiding van toezicht en bestuur, maar staat ons toe de politieke besluitvorming af te wachten. Temeer omdat we het verder goed doen.

De sector heeft een extra eis gesteld in de governance codes: dat besturen uit het VO geen toezichthouder mogen zijn bij een ander VO bestuur. Als dat ook geldt voor het SWV dan kun je nergens meer actief zijn.

Tot slot wordt de zin over onafhankelijk toezicht in het regeerakkoord voorafgegaan door de opdracht zoveel mogelijk geld bij de leerling te krijgen. Als er dan al onafhankelijk toezicht moet komen, laat het SWV dan, zeker in het VO, over veel minder geld de scepter zwaaien. Parallelle veranderingen in de structuur van het SWV zijn noodzakelijk om werkelijk geld bij de leerlingen te houden of te krijgen.

Nieuwe reactie inzenden

Kees Jansen

jurist
0348 74 44 34