U bent hier

Hoger salaris is te goedkope oplossing voor lerarentekort

Vorige week was het weer zover: het lerarentekort! Vlak voor de scholen beginnen, luidt de PO-Raad de alarmbel. Als er niets gebeurt is er over tien jaar een lerarentekort van 6.000 tot 8.000 banen in het primair onderwijs, want in die tien jaar zal 25 procent van de leraren met pensioen gaan. Bij zo’n laatste ‘berekening’ spits ik altijd mijn oren – ik zat in de auto toen ik het bericht hoorde – want als een arbeidzaam leven zo’n 40 à 45 jaar duurt is het toch logisch dat iedere tien jaar ongeveer een kwart van de medewerkers in die sector afzwaait. Maar niettemin, dat zou niet zo erg zijn als dat werd gecompenseerd door de instroom van nieuwe leraren vanuit de PABO’s. En dat is in onvoldoende mate het geval, blijkt uit onderzoek.

Nu neem ik van dit soort berichten de laatste jaren meestal met enige gelatenheid kennis, omdat ik ze al anderhalf decennium hoor, terwijl voor zover ik weet er hoogst zelden klassen niet worden bediend doordat er gewoon geen leraar te vinden is, gebrek aan invalkrachten daar gelaten. Bovendien is het moeilijk uitspraken daarover te doen die voor het hele land gelden omdat er grote regionale verschillen zijn. Dikwijls blijkt het inderdaad in de grote steden lastiger om leraren te vinden dan daarbuiten. Maar tegenover de klachten over moeilijk te vervullen vacatures staan ook nog steeds de verhalen van afgestudeerden van de PABO die stapels sollicitatiebrieven versturen en in hun handen mogen wrijven als ze ergens een tijdelijke deeltijdbaan vinden van ongeveer 0,6. Ze moeten dan wel iedere ochtend komen en ze zijn dus iedere middag vrij, lees: werkloos. 

Gelukkig is er ook een oplossing: het beroep moet aantrekkelijker gemaakt worden, en de manier om dat te doen is een hoger salaris. De nota leggen we bij OCW, en die bedraagt voorlopig een half miljard. Als ik dat hoor word ik een beetje kribbig. Niet omdat ik het niet zou toejuichen als de overheid in onderwijs investeert. Maar hoewel de prijs hoog is, lijkt het me een te goedkope oplossing. 

De laatste jaren zijn er tal van tevredenheidonderzoeken geweest onder leraren. Die tonen vrijwel zonder uitzondering aan dat men over het salaris echt niet ontevreden is. Bij de dissatisfiers staat het nooit bovenaan. Men is ontevreden over bijvoorbeeld administratieve lasten, te veel vergaderingen, zwakke directeuren, vervelende ouders en zo nog een paar dingen, en dan komt ontevredenheid over de salarissen op een vijfde of zesde plaats. 

Het beroep aantrekkelijk maken moet dus op een andere manier dan door met de geldbuidel te zwaaien. Het beste bewijs daarvoor is wellicht de moeite die het veel bestuurders en directeuren heeft gekost de leraren in het basisonderwijs in voldoende mate te interesseren voor de LB-functie. Men had meer kunnen verdienen – binnen het beroep van leraar! – maar een groot deel van de potentiële gegadigden gaf er de voorkeur aan dat niet te doen. De bij de LB-functie behorende andere, hoger ingeschaalde werkzaamheden – nog steeds: binnen het beroep van leraar – weerhielden de leraren van deze promotie. Was geld een zo belangrijke drijfveer dan was het geen enkel probleem geweest om binnen minder dan geen tijd aan de eisen van de functiemix te voldoen. Nee, een hoger salaris is niet dé oplossing. Mag ik een paar suggesties doen?

Beste leraren, straal trots op je beroep uit. Je hebt een ontzettend belangrijke baan, want je bent bezig met de toekomst van kinderen, en van onze samenleving. Dat is niet niks. Zorg er voor dat wanneer de kinderen je bezig zien, ze het voelen: ”Dat wil ik later ook gaan doen, want mijn juf of meester heeft plezier in zijn werk!”

Beste directeuren, heb oog voor je personeelsleden, voor hun kwaliteiten en hun leerpunten. Neem ze serieus. En dat doe je bijvoorbeeld door het beoordelingsgesprek dit jaar niet over te slaan. Je mensen moeten het zeker weten: “Het maakt echt wel uit hoe ik mijn werk doe. En mijn directeur heeft daar een gefundeerd oordeel over.” 

Beste bestuurders, kijk naar je scholen als een waardengedreven gemeenschap. Maak de waarden die je zegt na te streven zichtbaar, niet alleen in ronkende teksten op de website, maar zorg dat alles wat er in je scholen gebeurt, elk beleid dat je maakt – ook personeelsbeleid – getoetst kan worden aan die waarden. Zorg er voor dat ook die beginnende docent het merkt: “Ze zeggen dat hier ieder kind tot zijn recht kan komen, en dat is zo, maar gelukkig geldt dat ook voor mij.”

Beste PABO’s, blijf werken aan je curriculum. De studie mag best een forse intellectuele uitdaging zijn. Je studenten moeten er trots op zijn dat ze de opleiding mogen volgen: “Je komt hier niet zomaar. Het was me niet gelukt als ik geen goede eindlijst had van de havo. En straks ga ik de kinderen vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Ik verheug me er nu al op!” 

Reacties

Door Frans van Haandel op 25 aug 2016 | 14:17

Ik zou het waarderen als de schrijver even vermeld wat zijn salaris is. Dan zien we ook of hij 'trots op zijn beroep' uitstraalt voor een laag salaris. Waar hij geen "gegadigden waarneemt voor LB" moet hij eens gaan kijken of die extra functie-eisen te vervullen zijn naast de werkdruk als leraar. Waar haalt de schrijver vandaan dat dat als er behoefte zou zijn aan een hoger salaris er dan wel gemakkelijk zou zijn om mensen te bewegen zich nog meer over de kop te werken?
Daarnaast mis ik de bronnen van de bewering "tal van tevredenheidonderzoeken geweest onder leraren. Die tonen vrijwel zonder uitzondering aan dat men over het salaris echt niet ontevreden is. Bij de dissatisfiers staat het nooit bovenaan. Men is ontevreden over bijvoorbeeld administratieve lasten, te veel vergaderingen, zwakke directeuren, vervelende ouders en zo nog een paar dingen, en dan komt ontevredenheid over de salarissen op een vijfde of zesde plaats. " Volgens mij is punt 1 de werkdruk. Die werkdruk kun je wel degelijk oplossen met een hoger salaris: Dan kan iemand officieel 0,8 fte kan gaan werken, voor wat nu een 1,0 fte salaris is, dan is het eindelijk mogelijk de baan in een voltijdswerkweek af krijgen. Kortom: salarisverhoging is werkdrukverlaging. Werkdrukverlaging is zeer nodig om het beroep aantrekkelijk te maken. Het is onzin om te sugereren dat kinderen het onderwijs ingaan omdat ze als kleuter hun juf of meester plezier in zijn werk zien hebben. Kinderen van nu ZIEN hun juf of meester plezier in hun werk hebben. Maar als ze aan het einde van het VO voor de keuze staan, dan zien ze alle aspecten en kiezen ze een ander beroep.

Door Frank de Graaf op 25 aug 2016 | 14:53

Bruikbare suggesties van Kees Jansen. Er is inderdaad veel over dit thema gezegd en het laatste woord is nog niet in concreet handelen omgezet. Toch blijf ik de lijn van zijn genoemde suggesties omarmen en verstevigen met moed en hoop.

Door Marjolein Zwik op 25 aug 2016 | 17:12

Ik ken gegadigden voor een LB-functie, maar deze werden niet gehonoreerd, omdat men de juiste diploma's niet kon overleggen. De schrijver vergeet namelijk te vermelden dat veel besturen een afgeronde master eisen voor een LB-functie. Leraren die soms al 40 jaar voor de klas staan, een schat aan ervaring en bijscholing kunnen aantonen, kwamen en komen dan niet in aanmerking voor een LB-functie. Jongere collega's met een extra gymbevoegdheid wel, omdat dat na 2001 een 'specialisatie' is geworden. Alle basisschoolleraren die voor 2001 de gymbevoegdheid al hadden, kwamen niet in aanmerking, omdat het toentertijd een onderdeel van het curriculum van de pabo was en dus geen specialisatie. Misschien is het voor te stellen dat het enthousiasme om te solliciteren naar een LB- functie dan enigszins afneemt? En dit is maar één voorbeeld.
Het volgen van een master is überhaupt geen sinecure naast een fulltime baan en een gezin, zelfs niet met een lerarenbeurs.
Daarnaast valt het op dat op de lijst van dissatisfiers 'zwakke directeuren' staan. Laten dat nou net (deels) de directeuren zijn die de autuer oproept om goede beoordelingsgesprekken te voeren met een gefundeerd oordeel, waardoor leraren zich serieus genomen voelen.
Leraren zelf zullen minder gauw klagen over het salaris. Ze wisten namelijk bij hun beroepskeuze waar ze aan begonnen óf zijn aan hun loopbaan begonnen toen het nog een goed betaalde baan met een zekere beroepseer was. Op latere leeftijd omscholen, terwijl je iets doet wat je in principe graag doet, omdat loonsverhogingen uitblijven, wordt niet gauw gedaan. Waar het om gaat is, hoe je jongeren van nu met de ambitie en de motivatie om les te gaan geven, enthousiastmeert om ook daadwerkelijk voor het onderwijs te kiezen. En heus, salaris speelt dan echt een rol. Maak eens een rondje door een eindexamenklas havo of vwo!
Van de redenatie dat salarisverhoging niet de oplossing is, aangezien het niet bovenaan de lijst met dissatisfiers staan, ontgaat mij de logica. Het staat namelijk wél op deze lijst en zou dus onderdeel van de oplossing kunnen zijn.

Door Marieke op 25 aug 2016 | 21:24

Wat jammer dat dit artikel uitgaat van een mijns inziens verkeerde aanname. Volgens mij moet je bij grote tekorten niet alleen kijken naar tevredenheidsonderzoeken onder de huidige beroepsuitoefenaars, maar vooral ook naar de behoeften van degenen die het beroep nog niet, of niet meer, uitoefenen. Momenteel werken er veel niet-kostwinners in het onderwijs, het ligt voor de hand dat zij wat minder hechten aan salaris. Maar met de huidige lerarenpopulatie gaan we de tekorten niet oplossen: ze zijn simpelweg met te weinig. De vraag zou dus vooral ook moeten zijn wat degenen die het beroep wel wat lijkt, maar die toch wat anders kozen, voor beweegredenen hebben. Wellicht speelt salaris voor hen wel degelijk een rol.

Door Marieke op 25 aug 2016 | 21:35

Ik zie nu de reactie van Frans van Haandel. Ik denk dat de salaris-werkdrukverhouding inderdaad het belangrijkste punt is. Veel leraren werken bij een 0,8-contract vijf a zes dagen per week voor een naar WO-begrippen ondermaats salaris. Die combinatie is het probleem. Voor gewone banen met een gewoon salaris zijn genoeg gegadigden. Voor pittige banen met een dito salaris ook.

Door Bram op 25 aug 2016 | 22:14

"Bij de dissatisfiers staat het nooit bovenaan". Wellicht omdat we (leraren) het niet zo 'sjiek' vinden om over ons salaris te klagen. Maar die maandelijkse toelage is wel degelijk van invloed op de 'tevredenheid' over het vak. Die fooi - want dat is het - staat in schril contrast met de inspanningen die leraren dag in en uit moeten leveren t.b.v. (vaak) 30+ leerlingen en 60+ ouders/verzorgers. Met een forse verhoging van de maandelijkse financiële injectie is mijn inziens NIETS mis. Sterker nog: na jaren van stilstand nog eerder terecht ook!

Door Kornelis Jansen op 1 sep 2016 | 07:49

Mijn blog van vorige week heeft bij een aantal mensen wel wat losgemaakt. Ik kan niet op alle reacties ingaan, maar een paar dingen wil ik wel kwijt.
Al zo’n vijftien jaar geleden verscheen het boekje De Geluksfabriek van Maurits Bruel en Clemens Colsen. Zij beschrijven hoe sommige organisaties mensen boeien, en hoe andere organisaties mensen binden. Daar zit geen morele betekenis achter, maar duidelijk is wel dat mensen die kiezen voor onderwijs – of de zorg, of andere soorten publieke dienstverlening – niet geboeid willen worden door hun werk. Wie dat wel doen zijn, wat ongenuanceerd, de mensen die geld, macht en carrière belangrijk vinden. Zij streven naar een arbeidzaam leven van een serie van boeiende banen. De mensen die kiezen voor het onderwijs zijn meestal mensen die zekerheid, stabiliteit, zingeving e.d. willen in hun werk. Of de mogelijkheid om in deeltijd te werken. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de Nota Werken in het onderwijs 2011: ‘Ook als aan werknemers wordt gevraagd wat voor hen de drie belangrijkste aspecten waren bij de keuze van hun huidige baan, neemt het onderwijs een bijzondere positie in.
Op het aspect ‘interessant werk’ scoort de onderwijssector aanzienlijk hoger dan de andere elf onderscheiden sectoren in het betreffende onderzoek (zie tabel 5.5). Ook de ‘Mogelijkheden om in deeltijd te werken’ spelen voor het onderwijspersoneel een belangrijk rol bij de baankeuze.
‘Werkzekerheid’ als keuzemotief speelt binnen het onderwijs gemiddeld evenveel als in andere sectoren.’ (p. 78).
Deze mensen haal je dus niet binnen met (alleen maar) meer geld.
In het Nationaal Studiekeuzeonderzoek van Hobéon (Den Haag, 2012) wordt onderscheid gemaakt naar acht verschillende keuzefactoren die bepalen welke opleiding men gaat volgen. Die worden ‘ankers’ genoemd en heten bijvoorbeeld ‘dienstverlening’, ‘autonomie’, en ‘management’. Het laatste anker is het enige waarbij geld een rol speelt. Het wordt gedefinieerd als: ‘Deze leerlingen willen managementtaken op zich nemen en later manager worden. Zaken als het verkrijgen van hiërarchische status, een hoog salaris, extra verantwoordelijkheid (in hun werk) en het bijdragen aan het succes van een organisatie spreekt deze leerlingen aan.’ (p. 15)
Als je dan vervolgens kijkt waar leerlingen die kiezen voor onderwijs in de eerste plaats door getriggerd worden is dat niet dit anker. Het staat pas op de derde plaats bij hbo-pedagogische en op de zevende bij wo-onderwijs (p. 17). Nu kan je natuurlijk tegenwerpen dat dit logisch is: als in onderwijs meer werd verdiend zou het wel hoger op de ranking komen. Toch zijn de leerkrachten in Nederland de best betaalde van de OESO-landen, meldt de AOb op zijn website van 15 november 2015. Weliswaar zouden ze minder betaald krijgen dan andere beroepsbeoefenaars met een vergelijkbare opleiding, aldus de AOb, maar in vergelijking met hun collega’s uit andere landen in de westerse wereld hebben ze niet te klagen. Overigens valt op die vergelijking met andere eender opgeleiden valt wel wat af te dingen. Er zijn beroepen waar men met een hbo opleiding in schaal 7 terecht komt in plaats van LA=9 (hbo-verpleegkundige in een academisch ziekenhuis), of waar men voor die schaal 9 van de leerkracht basisonderwijs een wetenschappelijke opleiding gevolgd moet hebben (griffier bij een rechtbank).

Over de rol van geld bij arbeidssatisfactie heb ik nog wat onderzoeken opgezocht. Veel van dit soort onderzoeken heb ik in mijn werk onder ogen gekregen en betroffen individuele scholen of besturen. De rapportages daarvan zijn niet openbaar. Wel openbaar is al een wat ouder, maar via internet gewoon te downloaden onderzoek uit 2004, en verder biedt ook de frequent verschenen Nota Werken in het Onderwijs van het Ministerie van OCW ook een inkijkje.

S. Vrielink c.s., Arbeidssatisfactie in de loopbaan. Een nadere analyse van gegevens uit het personeelsonderzoek 2003 en het mobiliteitsonderzoek 2002, Nijmegen: ITS, 2004

P. 1: Positief is men vooral over de inhoud van het werk, de mate van zelfstandigheid en de sfeer op het werk. Ook over de reistijd en de looptijd van het contract zijn de meeste werknemers tevreden. Over de beloning, de wijze van leidinggeven en de werkplek lopen de meningen uiteen. Ontevreden zijn werknemers in het onderwijs vooral over de werkdruk en de financiële doorgroeimogelijkheden. Dit geldt in het bijzonder voor leraren in het primair en voortgezet onderwijs.

P. 2: Jonge leraren zijn over het algemeen meer tevreden met de inhoud van hun werk, de arbeidsomstandigheden en het management dan hun oudere collega’s. In het primair onderwijs zijn zij bovendien meer tevreden over hun beloning.
Vrouwen zijn meer tevreden over de inhoud van hun werk, de beloning en het management dan hun mannelijke collega’s. Over de arbeidsomstandigheden zijn zij echter minder tevreden. Sectoraal zijn er enkele uitzonderingen op dit beeld. Zo zijn mannen in het hoger onderwijs juist meer tevreden over de arbeidsinhoud en het management dan vrouwen.

P. 16: Werknemers in het onderwijs zijn, zoals we hebben gezien, over het algemeen heel tevreden met het werk zij doen. De vraag is waar dat precies door komt. Wat is de rol daarbij van de vier clusters van functieaspecten?
Tabel 2.2 laat zien dat vooral de tevredenheid over de inhoud van het werk bepalend is voor de algemene tevredenheid. Dat geldt voor alle sectoren. Het effect van de tevredenheid met het management, de tevredenheid met de arbeidsomstandigheden en de tevredenheid met de beloning is duidelijk kleiner.

Nota Werken in het Onderwijs 2010, Den Haag: Ministerie van OCW, 2009, p. 57

Onderwijspersoneel heeft in vergelijking tot de marktsector een ambivalente houding tegenover beloning. Enerzijds toont het onderwijspersoneel zich (beduidend) minder tevreden over de primaire arbeidsvoorwaarden dan werknemers in de marktsector (zie tabel 4.2), anderzijds zegt onderwijspersoneel aanzienlijk minder dan werknemers in de marktsector gemotiveerd te raken door extra beloningsmogelijkheden. Dit geldt vooral voor het primair en voortgezet onderwijs, waar in de afgelopen jaren ook maar weinig middelen zijn ingezet voor beloningsdifferentiatie.

Nota Werken in het onderwijs 2011, Den Haag: Ministerie van OCW, 2010, p. 76, 78

Als ze eenmaal hebben gekozen voor een baan in het onderwijs, noemen de werknemers ‘de inhoud van het werk’ en ‘de mate van uitdaging’ vaak als aspecten waarover zij tevreden zijn (zie tabel 5.10). ‘Salaris’ noemen onderwijswerknemers weinig als aspect waarover ze tevreden zijn, zeker in vergelijking met werknemers in de marktsector.

Tenslotte: Ik vrees dat een aantal lezers niet is opgevallen dat in de zinsnede in mijn blog in de zin ‘Nee, een hoger salaris is niet dé oplossing’ een accentje op ‘dé’ staat. Daarmee zeg ik dat het niet de eerste en de enige oplossing is. Natuurlijk kan het een deel van de oplossing zijn, maar de vraag is of wij het zouden willen dat er allemaal mensen in het onderwijs komen werken die uitsluitend aangetrokken worden door het geld. Wat zouden onze kinderen daarvan leren? Dat worden vast geen prettige mensen.

Door Frans van Haandel op 1 sep 2016 | 09:02

Geachte heer Jansen,
Dank voor uw lange reactie maar helaas heeft u mijn reactie niet goed gelezen of probeert die te ontwijken. Mijn vragen waren:
1. Ik zou het waarderen als de schrijver even vermeld wat zijn salaris is. Dan zien we ook of hij 'trots op zijn beroep' uitstraalt voor een laag salaris.
2. Waar haalt de schrijver vandaan dat dat als er behoefte zou zijn aan een hoger salaris er dan wel gemakkelijk zou zijn om mensen te bewegen zich nog meer over de kop te werken?
3. Daarnaast mis ik de bronnen van de bewering "tal van tevredenheidonderzoeken geweest onder leraren. Die tonen vrijwel zonder uitzondering aan dat men over het salaris echt niet ontevreden is.
4. Kortom: salarisverhoging is werkdrukverlaging. Werkdrukverlaging is zeer nodig om het beroep aantrekkelijk te maken. [oke, had ik niet als vraag geformuleerd. Zal ik nog even doen: Er is een direct verband tussen salarisverhoging en werkdrukverlaging. Waarom negeert u dat verband?]

Ik zal het belang van mijn vragen nog even toelichten want wellicht beantwoordde u ze niet omdat ze u niet relevant leken, u schreef immers “ik kan niet op alle reacties ingaan, maar een paar dingen wil ik wel kwijt”.
1. Geldt voor u “Practice what you preach”? U zult toch weten dat dat essentieel is voor uw geloogwaardigheid. Of bent u die GroenLinkser die pleit voor milieubewust rijden en zelf in een hummer op diesel rijdt?
2. Valt het u zelf ook op dat u allerlei bronnen noemt over vanalles? Van een boekje waarin staat “dat mensen die kiezen voor onderwijs niet geboeid willen worden door hun werk” [een jurist zou nu tussenvoegen ‘quad non’]. Dat mensen in onderwijs interessant werk hebben en vaak in deeltijdaanstelling werken [ja, allicht met die werkdruk. Wij werken voltijds voor een deeltijdaanstelling]. Dat mensen geen opleiding kiezen voor het geld. U shopt daarbij selectief uit teksten van de Aob, ‘vergeet’ bijvoorbeeld simpelweg het aantal contacturen per fte. Ik geloof dat de Aob in het stuk http://www.aob.nl/default.aspx?id=15&article=49287 over mensen als u schrijft.
3. Hoe belachelijk is het om een algemeen onderzoek over de rol geld bij arbeidssatisfactie over de gehele arbeidssector te noemen waar u iets betoogde op basis van ‘het ontbreken van geld en werkdruk op een lijst van dissatifiers bij tevredenonderzoeken onder leraren’. U stelde dat daar “tal van onderzoeken geweest zijn” en die “tonen vrijwel zonder uitzondering aan dat men over het salaris echt niet ontevreden is”? Het enige wat u nu er over zegt op basis van uw bronnen is toch precies het tegengestelde?? “Enerzijds toont het onderwijspersoneel zich (beduidend) minder tevreden over de primaire arbeidsvoorwaarden dan werknemers in de marktsector (zie tabel 4.2)” en “‘Salaris’ noemen onderwijswerknemers weinig als aspect waarover ze tevreden zijn, zeker in vergelijking met werknemers in de marktsector.”
4. Werkdruk, werkdruk, werkdruk. Volgens mij de top3 van de dissatifierslijstjes in het onderwijs. Ik wacht nog steeds op uw verwijzingen naar uw “tal van bronnen” met dissatifierlijstjes waar geld en werkdruk ontbreekt.
Tenslotte: Goed dat u een beetje terugkrabbelt door nu te zeggen dat het “niet de enige oplossing is” Is er iemand die beweerde dat het de enige oplossing is? Aanpassing van de bestuursstructuur in het onderwijs is ook nodig, op de werkvloer is te weinig autonomie: de bestuurslagen zijn contraproductief en geldverslinderd. Wat leren onze kinderen er van leren dat die bestuurlijke kleilaag de les genoemd in https://twitter.com/FransvHaandel/status/770322835009073152 zo hardnekkig negeert?

Door Kornelis Jansen op 1 sep 2016 | 23:04

U noopt me tot een nieuwe reactie, en als u het niet erg vindt beschouw ik de publieke discussie daarna als gesloten. Uiteraard mag u me mailen of ons secretariaat bellen om een afspraak met me te maken op de plaats die u uitzoekt. Dan kunnen we eens rustig de standpunten naast elkaar zetten.

Vooraf: ik mag verwachten dat een blog beoordeeld wordt op wat het is, te weten een blog, een columnachtig stuk dat tot denken prikkelt en de vanzelfsprekendheid van gevestigde opvattingen tegen het licht houdt en ter discussie stelt. Het moet niet beoordeeld worden op wat het niet is, zoals bijvoorbeeld een doorwrocht onderzoek met wetenschappelijke pretenties. Wanneer u zich dat realiseerde zou dat van invloed zijn op de kleur van uw reacties. Dan nu uw vragen.

1. Om hier de hoogte van mijn salaris te noemen lijkt me niet opportuun. Wel kan ik u melden dat ik een jaar of zes als leerkracht op een basisschool heb gewerkt. Toen ik daarna andere dingen ging doen, zoals leidinggeven aan een school, adviseren op een ROC dan wel bij Verus, verdiende ik inderdaad meer. Je kunt nu eenmaal niet verwachten dat als je altijd hetzelfde blijft doen je toch meer salaris ontvangt. Maar naar eer en geweten kan ik zeggen dat niet de hoogte van de salariëring het belangrijkste motief was om ander werk te gaan doen. Dat is het bij geen van mijn overstappen naar ander werk geweest. Was dat wel zo geweest dan had ik misschien gestreefd naar een baan bij de commerciële advocatuur o.i.d. Hoewel, gisteren sprak ik een gepensioneerde advocaat, die mij vertelde van een aantal zaken waarvoor hij slechts een veel te laag bedrag toegewezen had gekregen van het Europees Hof voor Rechten van de Mens – collega’s hadden hem ook ontraden deze zaak aan te pakken – maar dat niettemin had hij het uit liefde voor zijn beroep wel aangenomen. Er moest eindelijk eens jurisprudentie komen over het soort kwesties dat aan de orde was. Ja, dat komt dus ook daar voor.

2. Blijkbaar verkeert u in het misverstand dat wie voor een LB-functie kiest méér werk krijgt, bovenop het werk dat hij al verzet. Gelukkig is dat niet het geval. Van een LB-leerkracht wordt voor een deel van zijn uren ánder werk verwacht, waardoor de hogere inschaling gerechtvaardigd wordt. Het gaat dan bijvoorbeeld over innovatie en coördinatie, de toepassing zijn van specialismen en expertise in de school. Maar zijn jaartaak blijft bij een volledige betrekkingsomvang gewoon 1.659 uren. En wanneer u stelt dat mensen die u kent – met veel ervaring – die functie niet hebben gekregen omdat ze niet over de juiste papieren beschikten kan dat kloppen: de cao stelt als voorwaarde een hbo+-niveau. Een hoger ingeschaalde functie is dus niet, wat wel eens gedacht wordt, de beloning voor jarenlang goed werk, want goed werk mag van iedereen verwacht worden, maar de toekenning van zo’n functie is gebaseerd op het verrichten van andere werkzaamheden, waarvoor volgens de cao-partners het hbo+-niveau onontbeerlijk is.

3. Het interpreteren van onderzoeken schijnt erg lastig te zijn. Leerkrachten blijken hun arbeidssatisfactie voornamelijk te ontlenen aan andere elementen van hun werk dan de primaire arbeidsvoorwaarden. Hoewel ze natuurlijk altijd wel meer zouden willen verdienen, en een deel zegt ontevreden te zijn over het salaris, betekent dat niet dat de ontevredenheid over is bij een hoger salaris. Nog minder betekent een verbetering van de primaire arbeidsvoorwaarden dat studenten en masse voor het lerarenberoep zullen kiezen. Die misvatting heb ik aan de kaak willen stellen. Het salaris is namelijk niet het enige of het belangrijkste element dat meespeelt bij het al dan niet kiezen voor een beroep, of bij het al dan niet tevreden zijn over het werk. Het zijn er meer. En een aantal daarvan worden belangrijker gevonden. De onderzoeken die ik noemde leggen daar getuigenis van af. Het is een complex van factoren, waarvan het geld er maar één is, en niet de belangrijkste. En daarom prikkelt het mij als de PO-Raad een leerkrachten tekort meent te voorzien en dan meteen om geld gaat roepen.

4. Dan het punt van de werkdruk. Dat speelt al jaren in het onderwijs, en mag ook best een serieus probleem heten. Maar werkdruk los je niet op door mensen meer geld te geven.
In het voortgezet onderwijs was een aantal jaren geleden de werkdrukverminderende maatregel ingevoerd, het zogeheten trekkingsrecht (artikel 7.2 lid 2 CAO-VO 2008-2010), waarbij aan de werknemer de keuze gelaten was tussen een aantal uren minder inzetbaar zijn of een uitbetaling van dezelfde uren. Directeuren en bestuurders uit het voortgezet onderwijs vertelden mij dat de docenten massaal kozen voor de uitbetaling. Betekent dit nu dat de verhoging van het salaris met ongeveer 1,5 % hun (klachten over) werkdruk verminderd heeft? Ik vrees van niet. Want nog steeds wordt werkdruk als een groot probleem gevoeld.

De stelling dat er een direct verband is tussen salarisverhoging en werkdrukverlaging wordt door mij genegeerd omdat dat verband er niet is. Zelfs van een indirect verband is nauwelijks sprake. Het zou betekenen dat de werkdruk omlaag gaat als het salaris omhoog gaat, omdat men dan met een kleinere betrekkingsomvang genoegen zou kunnen nemen, of zoiets? Nu permitteer ik mij het woord ‘onzin’. Ook het verhaal van mensen die een baan van 0,8 hebben en daar 1,0 of meer voor werken durf ik te bestempelen als waarschijnlijk overdreven. Dan vrees ik dat er iets met hun timemanagement niet in orde is. En om daar dan de conclusie uit te trekken dat eigenlijk banen dus een betrekkingsomvang moeten hebben van 0,8, onder uitbetaling van 1,0 – ergo een salarisverhoging van 25 % lijkt me lastig te onderbouwen.
En nee, lijstjes waarbij werkdruk en geld als dissatisfiers ontbreken zijn er niet, en zullen er nooit zijn, al was het maar omdat ze altijd bij de aan te kruisen mogelijkheden genoemd staan. Maar bedenk wel: een salarisverhoging geeft ongeveer drie maanden een prettig gevoel. Dan is het uitgavenpatroon aangepast en is het gewoon geworden (zie Reinhard Sprenger, De Motivatiemythe, 1991). En van louter salarisverhoging wordt de kwaliteit van het werk niet beter.

Dank voor je bijdragen, Frans van Haandel! Hoe drink je de koffie?

Door Frans van Haandel op 9 sep 2016 | 14:05

Geachte heer Jansen,
Dank voor uw uitgebreide reactie. Ik lees hem pas vandaag omdat ik toevallig even dacht aan onze uitwisseling naar aanleiding van uw column en de site geen mogelijkheid tot bericht bij reactie geeft. Ik kom graag eens langs in Woerden, dank voor uw uitnodiging. Natuurlijk is een column om te prikkelen, dat is mijn reactie op een Column ook. Ik stuur u een email, dan komen we in contact en verder in gesprek.
Het is erg bijzonder als u niet weet dat docenten massaal hoogstens 0,8 fte werken ipv full-time. Op de VO-school waar ik werk zijn 140 docenten. Vorig jaar werkten er twee 1,0 fte. Dit jaar nog maar een. Ik vroeg degene van die 2 die van 1,0 naar 0,8 fte ging waarom. Ook hij kon niet langer het volhouden om elk weekend door te werken en moest terugschakelen om op die 5e weekdag ruimte te maken. Ook hij hoort nu bij de tientallen collega's die ik heb die met een 0,8 aanstelling proberen hun werk beperkt te houden tot 5 volle werkdagen en niet alle weekenden en mee bezig te zijn.

Nieuwe reactie inzenden

Kees Jansen

jurist
0348 74 44 34