U bent hier

Jongens vs. meisjes: het gaat gewoon om vorming

In het onderwijs meer inspelen op verschillen tussen jongens en meisjes? Dat kan bijvoorbeeld door te experimenteren met gescheiden lessen, zoals voorzitter Wim Kuiper van Verus vier jaar geleden al opperde in Trouw.

Waar jongens – maar ook sommige meisjes – vooral in moeten worden bijgespijkerd, zijn de zogeheten “non-cognitieve vaardigheden”, zeggen onderzoekers in een recente verkenning in mbo en hoger onderwijs in opdracht van minister Bussemaker. Als ik het goed lees, komt het er vooral op neer dat scholen doen waarvoor ze zijn opgericht: jonge mensen (m/v) vormen. Met een centrale rol voor de leraar.

Dat dit kennelijk geen open deuren zijn, is wel tekenend voor het huidige onderwijsdebat. Dat speelt zich voornamelijk af op het niveau van het ‘wat’: wat hebben leerlingen en studenten van nu nodig om succesvol te zijn in de samenleving van de toekomst? Zie ook het tussentijdse advies van Platform Onderwijs2032. Het antwoord daarop ligt meestal in de sfeer van de zogeheten 21e-eeuwse vaardigheden: communicatie, samenwerken, creativiteit, en meer van dat soort vaardigheden die volgens mij van alle tijden zijn.

De verkenning heeft het over “non-cognitieve vaardigheden”, zoals zelfinzicht, zelfregulatie, doelgerichtheid en empathie. Meisjes zijn daar gemiddeld beter in, en dus hebben zij meer succes in onderwijs dat daarop is toegesneden. De onderzoekers, die zich richten op mbo en hoger onderwijs, bevestigen dat “(de meeste van de) jongens gemiddeld 1-2 jaar in de neuropsychologische ontwikkeling achterlopen op (de meerderheid van de) meisjes”.

Maar ze benadrukken tegelijkertijd dat behalve de rijping van de hersenen ook andere factoren cruciaal zijn voor de ontwikkeling van deze non-cognitieve vaardigheden: de persoonlijke levensgeschiedenis, de omstandigheden waarin een jongere opgroeit en, last but not least, “de steun, sturing, en inspiratie die de student van de leerkracht en de school krijgt”. Bovendien blijken de verschillen in ontwikkeling op dit gebied tussen meisjes onderling en tussen jongens onderling groter te zijn dan die tussen jongens en meisjes.

Wat kunnen scholen met die wetenschap? Het is volgens de onderzoekers vooral van belang dat scholen inzetten op de non-cognitieve ontwikkeling van álle studenten, met speciale aandacht voor de studenten die daarin achterblijven. Dat de “prestatiekloof” tussen jongens en meisjes daardoor kleiner wordt, is mooi meegenomen.

Dat heet, geloof ik, ook wel vorming. “Steun, sturing en inspiratie” – het is een mooie samenvatting van wat leraren jonge mensen moet bieden. Maar als we die “steun, sturing en inspiratie” alleen maar richten op de (non-)cognitieve ontwikkeling, blijven we steken op het niveau van het ‘wat’. De verkenning spreekt niet voor niets over non-cognitieve vaardigheden.

De vraag is vervolgens waartoe die vaardigheden worden ontwikkeld. Wat heeft de school daarbij voor ogen? Alleen een plekje vinden op de arbeidsmarkt van de toekomst? Of gaat het om meer: goed leven in onvoorspelbare omstandigheden, gericht op goed samenleven?

Daar hebben jongens én meisjes non-cognitieve vaardigheden voor nodig. Zeker. Maar neem nou een non-cognitieve vaardigheid als impulscontrole (zelfbeheersing). Het maakt nogal wat uit of je studenten daartoe steunt, stuurt en inspireert omdat ze daarmee eerder hun doelen bereiken, of omdat je hen wilt leren “volwassen in-de-wereld te zijn” (om het met onderwijspedagoog Gert Biesta te zeggen), zich afvragend of de bevrediging van hun verlangens wenselijk is met het oog op de ander. In het eerste geval ontwikkelen ze een vaardigheid, in het tweede geval (hopelijk) een houding.

Het kan natuurlijk geen kwaad om daarbij enig inzicht te hebben in breinontwikkeling. Opdat jongens en meisjes zich dat op hun eigen manier eigen kunnen maken.

Nieuwe reactie inzenden

Guido de Bruin

adviseur identiteit / verhalenverteller
0348 74 44 13