U bent hier

Kansenongelijkheid - Onderwijs als de spil van verandering

Een correspondente van een Duits weekblad berichtte over het onderwijs in India en constateerde: “Onderwijs verandert voor deze kinderen alles, niet alleen hun vooruitzichten maar ook hun dromen.” Haar bericht ging over een heel specifiek groepje kinderen uit de sloppenwijken. Deze kinderen hebben een zeer hoog IQ en zijn opgespoord door een filantropische instelling, die ervoor zorgt dat zij in het particulier onderwijs worden geplaatst. Zij (en hun trotse families) dromen dat ze arts, ingenieur of advocaat worden. Het bericht ging dus niet over het overheidsonderwijs van India, dat in slechte staat verkeert. Geregeld komen leraren daar niet opdagen of laten zich onder de toonbank betalen. De welvarenden sturen hun kinderen naar privéscholen. De kansenongelijkheid van jonge mensen is in India nog steeds schrijnend. Dit is een kwestie van hardnekkige armoede in combinatie met het bekende kastenstelsel, dat iemands mogelijkheden door zijn afkomst laat bepalen. 

In ons land is de situatie van de jeugd vele malen gunstiger, maar ook hier is sprake van kansenongelijkheid. Er zijn zelfs aanwijzingen dat ze toeneemt. Loes Ypma wordt regelmatig door leden van Verus hierover aangesproken. Scholen willen meer mogelijkheden om kansengelijkheid weer te bevorderen.

Oorzaken

Eddie Denessen is een onderwijsonderzoeker en hoogleraar, die is verbonden aan de Universiteit Leiden en de Radboud Universiteit. Ongelijke onderwijskansen is een belangrijk thema van hem. Kansengelijkheid heeft betrekking op de invloed van het ouderlijk milieu. Als onderwijs verschillen tussen milieus (denk bijvoorbeeld aan opleidingsniveau) weet te compenseren, hebben kinderen gelijke kansen. Maar onderzoek waar Denessen zich op baseert, wijst uit dat gelijke kansen eerder afnemen dan toenemen.

In een recent artikel geeft Denessen vier verklaringen voor kansenongelijkheid (wat niet hetzelfde als maatschappelijke ongelijkheid, die over inkomensverschillen gaat).

  1. Het Nederlandse onderwijssysteem noemt hij “hoog-selectief”. Aan het einde van de basisschooltijd is er zo’n belangrijk selectiemoment, dat volgens hem “een steeds definitiever karakter heeft gekregen”, omdat er veel minder zogenoemde brede (en verlengde) brugklassen zijn dan in het verleden. Homogene brugklassen zijn tegenwoordig usance.
    Denessen voegt er nog aan toe dat niveaudifferentiatie in de klas (niveaugroepen) kansengelijkheid ook verkleint. Leerlingen met een hoger beginniveau werken meestal sneller dan klasgenoten met een lager beginniveau. Niveaus groeien uit elkaar. “Verschillen [worden] door het gedifferentieerde onderwijs groter”, noemt hij “een waarschijnlijke uitkomst”.
  2. Gedifferentieerd onderwijs beïnvloedt de verwachtingsvorming van leraren. Hun verwachtingen en de gedragingen die daaruit voortvloeien hebben effect op de leerprestaties. Een lage verwachting ten opzichte van een leerling kan een gevolg zijn van sociale stereotypering. Ook de aanname dat de ontwikkeling van een leerling voorspelbaar is, kan een lage verwachting bij de leraar veroorzaken..
  3. De betrokkenheid van ouders is een factor, ze is een stimulans voor de vooruitgang van hun kinderen. Tegelijkertijd is het zo dat vooral hoogopgeleide ouders meer dan normaal betrokken kunnen zijn. Een aantal van hen schakelt particuliere huiswerkbegeleiding en examentraining in. Dit werkt het ideaal van kansengelijkheid tegen, vindt Denessen.
  4. Schoolbeleid kan zijn ingegeven door strategisch gedrag en overwegingen van marketing. Dergelijk beleid doet ook kansenongelijkheid toenemen, zo is de verwachting. Het eerste kan voortvloeien uit het inspectietoezicht, dat in belangrijke mate stoelt op opbrengstindicatoren. Risicovolle leerlingen, die prestaties negatief kunnen beïnvloeden, probeert men misschien te mijden. Het tweede, de marketing van de school, kan voortvloeien uit de bekostigingssystematiek, die vooral gebaseerd is op een bedrag per leerling. Voor het voortbestaan zijn voldoende leerlingen nodig. Marketing krijgt een extra dimensie als ze gericht wordt op hoger opgeleide ouders, van wie wordt aangenomen dat zij geïnteresseerd zijn in bepaalde programma’s. Denessen noemt het technasium, tweetalig onderwijs en het categoriale gymnasium.       

Neveneffect

Het selectieve klimaat van het Nederlandse onderwijs heeft nog een ander effect. Het beroepsonderwijs heeft erdoor een imagoprobleem gekregen. Dit is de zorg van Renée van Schoonhoven, hoogleraar en verbonden aan de Vrije Universiteit. Feitelijk is het zo dat kinderen die naar het vmbo gaan en doorgaan in het mbo, een goede toekomst kunnen hebben. “Kinderen in het vmbo kunnen ook gelukkig zijn”, zegt ze. Zij hekelt het competitieve karakter van de Nederlandse samenleving. Zo wordt het verschijnsel van jonge mensen met een mbo-diploma, terwijl hun ouders academisch gevormd zijn, ‘neerwaartse mobiliteit’ genoemd. Maar volgens van Schoonhoven zouden wij daar veel rustiger mee om moeten gaan. Ze noemt het nachtmerriescenario als het mbo zich door de heersende prestatieve stemming (ook onder ouders) onvoldoende zou kunnen handhaven. Zij wijst op de VS waar dit zich voordoet.

Kansenongelijkheid tegengaan

Op 20 juni biedt Verus de gelegenheid om met Renée van Schoonhoven en Eddie Denessen van gedachten te wisselen. Na hun inleidingen, waarin zij de problematiek zullen verkennen en duiden, zal het gesprek een praktisch karakter hebben. Welke mogelijkheden hebben schoolbestuurders en schoolleiders om de kansengelijkheid te bevorderen en welk overheidsbeleid is nog nodig? Wat mag er van ouders worden gevraagd? Ik zie u graag daar.

De Kansengelijkheid bijeenkomst is in het Leerhotel in Amersfoort op 20 juni van 16.00 tot 19.00 uur. Wil u erbij zijn en deelnemen geef u op bij Chandra Khedoe - ckhedoe@verus.nl

Nieuwe reactie inzenden

Freek Pardoel

belangenbehartiger
0348 74 41 22