U bent hier

Onderwijs in 2032 – geen nationaal curriculum

In een enthousiaste en gedreven brief kondigt staatssecretaris Sander Dekker deze week een brede bezinning aan over de toekomst van het funderend (basis en voortgezet) onderwijs. Hij wil al in het najaar van 2015 een breed maatschappelijk gedragen visie op een toekomstgericht onderwijscurriculum met de Kamer bespreken.

Hij wil de toekomst positief tegemoet treden en de vooruitgang van de technologie met zijn ongekende mogelijkheden als uitgangspunt nemen om het onderwijscurriculum eens grondig te herzien. Niet met één partij, maar met iedereen die het onderwijs een goed hart toedraagt.

Onderwijs legt volgens Dekker “de basis voor een succesvolle loopbaan en maakt van de kinderen van nu de competente, zelfbewuste en creatieve volwassenen van de toekomst. Goed onderwijs stoomt kinderen klaar om te kiezen voor een vervolgstudie en levert volwassenen af die actief bijdragen aan de samenleving en de economie. Daarom ook moet goed onderwijs meegaan met zijn tijd en inspelen op de wereld die verandert.”

Tja, wie zou er tegen deze doelen van het onderwijs zijn? Of is het toch een beetje te technocratisch gedacht? Uiteraard is het een goede zaak om de huidige kerndoelen met huidige functie, nu die er wel zijn, regelmatig te actualiseren. 

Maar op deze manier het onderwijscurriculum veranderen – alsof wij weten hoe de toekomst, die aan de kinderen van nu is, eruit gaat zien –…komt het dan goed? Het is toch wel wat eendimensionaal gedacht. Onderwijs geven is werelden openen, volwassenen die wat zij hebben ontdekt doorgeven aan kinderen. Leraren zien in kinderen wat zij zelf niet weten en het gaat verder dan uit jezelf halen wat erin zit. Ik weet helemaal niet wat er in mijzelf zit, maar het zijn juist anderen die mij geroepen hebben dingen te doen waarvan ik niet wist ze te kunnen.

Maar goed, het initiatief op zich is prima en het valt ook zeker toe te juichen. En misschien kan de vorige alinea als een eerste bijdrage aan het nadenken over de bedoeling van het onderwijs gezien worden. De vraag is wel of het de staatssecretaris daar – over de bedoeling – uiteindelijk om gaat. Want het is natuurlijk overduidelijk dat het hem er vooral om gaat de doelen van het onderwijs te herzien om daarmee meer grip te krijgen op de onderwijsinhoud. 

Want een opvallend onderdeel van de brief vormt de taakverdeling die hij schetst tussen overheid, scholen en leraren: “De overheid legt voor de onderwijskwaliteit kerndoelen en eindtermen vast. De school stelt binnen deze kaders een onderwijsprogramma samen dat optimaal aansluit bij haar visie en de behoeften van leerlingen, ouders en de omgeving van de school. De leraar vertaalt dit onderwijsprogramma naar goed onderwijs in de klas en maakt hierbij de keuzes die nodig zijn om in te spelen op de individuele behoeften van leerlingen.”

Ook dit lijkt op het eerst gezicht logisch, maar je hoeft hier niet lang over na te denken om hier toch de indeling van het ‘wat’ en het ‘hoe’ van de commissie Dijsselbloem in te herkennen. En dat zouden we toch niet moeten willen. Daarmee wordt het onderwijs verengd tot uitvoerder van de door de overheid vastgestelde onderwijsinhoud en mag ze dat alleen nog maar op haar eigen manier uitvoeren. Of er veel ruimte voor de eigen visie van de school is, valt dan zeker te bezien. We vergeten daarbij vaak dat grondwettelijk de overheid zich dient te beperken tot het toetsen van de deugdelijkheid van het onderwijs en dus niet in detail mag vastleggen wat er onderwezen moet worden. 

Hier staat toch echt de vrijheid van het onderwijs, zeker als het gaat om de inrichting ervan, ter discussie. Scholen en schoolgemeenschappen dienen juist die vrijheid te gebruiken om met elkaar te spreken over de inhoud van het onderwijs, dat niet op een bepaald moment vastgelegd kan worden, maar steeds in ontwikkeling dient te zijn. We kunnen wel doen alsof we weten wat de toekomst nodig heeft, maar ons kennen is slechts beperkt tot verleden en heden. En doordat het heden steeds verandert, zullen we constant het gesprek moeten voeren. Misschien is zo’n continu gesprek – ook met leerlingen en hun ouders – over wat er gebeurt en ons te doen staat wel de beste voorbereiding op de toekomst.

Je kunt tegenwerpen dat men in Schotland, Finland en Noorwegen wel is gekomen tot een breed gedragen nationaal curriculum. Ja dat is blijkbaar waar, al is op dit moment onbekend hoe dit is gegaan en wat daar de bedoeling van is geweest. Trouwens, in Schotland is een onafhankelijke commissie aan de slag gegaan, die de overheid heeft geadviseerd. Een proces dat het eigenaarschap wellicht meer bij diegenen heeft gelegd bij wie het hoort.

De meest ingewikkelde denkfout van het proces is wellicht de volgende: door een grote diversiteit aan organisaties en personen te spreken hoopt de staatssecretaris tot een algemeen en breed gedragen nieuw onderwijscurriculum te komen. Zonder erkenning van die diversiteit dus. Dit algemene kader wordt dan vervolgens weer opgelegd aan het totale onderwijsveld, waardoor de zo kenmerkende en gewaardeerde pluriformiteit van het Nederlandse onderwijsbestel verloren zal gaan. 

Dat kan toch niet de of zijn bedoeling zijn?

Daarvoor is de toekomst van die leerling die nu in Groep 1 van de basisschool zit en in 2032 22 jaar wordt veel te kostbaar.

Reacties

Door Koos Bezemer op 20 nov 2014 | 17:59

De denkwijze van Sander Dekker impliceert dat we 18 jaar geleden zouden hebben kunnen aangeven waar we nu staan. Het is de typische denkwereld van de politicus die vindt dat alles maakbaar is. Had Sander 18 jaar terug al mobiele apparaten in het snotje? Mijn twijfel is groot. Zag hij 18 jaar geleden al de huidige kramp in gezinnen met drukke ouders/verzorgers en soms nog drukkere kinderen? Knap. Fijn dat deze man onze staatssecretaris is geworden. Zeker en vast (zeggen de Belgen) een vooruitziende blik bij deze politicus. Wat zal het mooi worden in onderwijsland.
p.s. zou hij 18 jaar terug al de contouren van de huidige CAO hebben uitgezet? Een echte slimmerd dus ...

Door Lex Hupe op 29 nov 2014 | 13:12

Ik kan je denkwijze volgen. Er wordt een deur opengezet, en da tis zeker een vooruitgang. Anderzijds is het nog steeds het top-downdenken van een bureacratisch systeem. Het onderwijs staat inmiddels bekend als de meest achtergebleven sector in onza samenleving. Het is een in zichzelf gekeerde cultuur, die breek je niet zomaar even open. Als we toch bezig zijn, laten we dan ook de diepere vragen meenemen, zoals "wat betekent het als je zegt er is onderwijsvrijheid? Hoe vullen we dat in?" En "Wie bepaalt er eigenlijk wat kinderen leren, hoe ze leren, of dat binnen of buiten de klas gebeurt, van wie en met wie ze leren etc." En "Moeten we de kunstmatige scheiding tussen school en het latere (beroeps-)leven handhaven?" En "Welke rol spelen onze waarden in het intrichten en sturen van ons onderwijs?" En welke waarden zijn dat dan. En "Hoe gaan we om met ons toekomstbegrip? Trekken we kritiekloos de trends door? Of "maken" we met zijn allen die toekomst?" Als we toch bezig zijn leid dan jonge mensen op die het heft in eigen hand nemen en de samenleving zelf vormgeven in plaats van makke werkslaven af te leveren. Allemaal vragen, die om een dialoog en visionaire antwoorden vragen. Kijk naar de tweets onder #onderwijs2032 daar gaat het over deze thema's. Dit gaat natuurlijk veel verder dan "wat zullen we onze kinderen eens laten leren want we zijn weer eens aan vernieuwing toe". http://wijsvooruit.nl/2014/11/sander-ik-doe-mee-onderwijs2032/

Nieuwe reactie inzenden

Lees ook

Dick den Bakker
Dick den Bakker