U bent hier

ER WAS EENS…. (VERKLARING BIJ DEEL 2)

Je las onlangs deel 2 van het sprookje dat ik schrijf. Nu, zoals beloofd, een verklaring bij het hoofdstuk over Wilfred en de school in Plezantium 

In het sprookje bepaalt koning Rinus II dat er een Raad van Licht wordt aangesteld. Deze passage legt een link met de Wet Goed onderwijs, goed bestuur, waarin is vastgelegd dat de functies van bestuur en toezicht gescheiden dienen te zijn. Er zijn verschillende bestuursmodellen om dit te realiseren. 

Wilfred is in het sprookje een directeur-bestuurder. Dit betekent dat hij bestuurlijke bevoegdheden heeft en daarnaast verantwoordelijk is voor de dagelijkse leiding van de school. Wilfred is druk bezig met dagelijkse zaken, beslommeringen en keuzes die zich voordoen voor een schoolleider. Hij is een empathische directeur die vol overgave voor het onderwijs gewerkt heeft en nog steeds werkt. Zijn functie is echter gewijzigd. Hij wil nog steeds leraren ontlasten zodat zij zich bezig kunnen houden met hun primaire taak: het verzorgen van geïnspireerd onderwijs aan leerlingen. 

Het dilemma dat hier opdoemt is dat de directeur, die nu directeur-bestuurder is, ervaart, dat hij hetzelfde takenpakket heeft met daar bovenop de taken van een bestuurder. Herbezinning en betekenis geven aan een nieuwe functie schijnt hier minder te zijn gebeurd. 

Opgedrongen verandering

Het ‘opdringen’ van verandering door Wetten en Codes (en ook interne regels door bestuurders en/of toezichthouders zelf uitgevaardigd) die niet van onderop zijn ontstaan, leggen vaak een grote druk op mensen in organisaties. 

Wetten geven naast begrenzing ook vrijheid. Juist de Wet gebruiken als kader om vrijheid te zoeken komt in deze fase van het sprookje nog niet op. De problemen die Wilfred ervaart, zijn dat de school ‘niet meer in balans is’ en hij opziet tegen de opdracht die hij heeft en die meervoudig van aard is. 

Van degelijk onderwijsbestuur naar educational governance

Dit hoofdstuk van het sprookje beschrijft op hoofdlijnen de ontwikkeling van governance in het onderwijs. Even een uitstapje. Rond de eeuwwisseling staat de bedoeling van goed bestuur volop in de belangstelling analoog aan de ontwikkelingen binnen de corporate governance. De reden daarvoor is meervoudig:

  • Een mijlpaal is in 2003 de presentatie van de corporate governance code ontwikkeld door de commissie-Tabaksblad. Het afleggen van verantwoording over deze code overeenkomstig het “comply or explain” principe doet zijn intrede. Dit heeft tot gevolg dat er eveneens voor de semipublieke sector codes worden opgesteld, ook voor het onderwijs. Er ontstaat hier en daar gemor in het onderwijs, men is overduidelijk niet gewend om vanuit dergelijke codes te werken. 
  • Verder zetten ontwikkelingen als schaalvergroting, deregulering, een sterkere bewustwording van de maatschappelijke functie en de wens tot professionalisering de instellingen aan tot herziening van hun eigen governance. 
  • Daarnaast spelen er ontwikkelingen ten aan zien van het verleggen van financieringsstromen, financiële risicobeheersing, onduidelijke wetgeving en onzekerheid over bestaande toezichtkaders, zoals in het advies ‘Degelijk onderwijsbestuur van de Onderwijsraad’ (2004) uitgebreid is beschreven.
  • Zowel bij de overheid als in het onderwijsveld bestaat behoefte aan duidelijkheid over wat de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn van besturen van onderwijsinstellingen, mede in het licht van enkele spraakmakende misstanden in het onderwijsbestuur binnen verschillende (grotere) instellingen die Goodijk in het boek ‘Falend toezicht in semipublieke organisaties? Zoeken naar verklaringen’, (2012)  weergeeft. 
  • De instellingen krijgen steeds meer autonomie, met als resultante een andere vorm van verantwoording afleggen en (overheids)toezicht daarop. De minister wil meer samenhangend en proportioneel toezicht op kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van het onderwijs. En daarnaast moeten instellingen verantwoording afleggen aan hun omgeving waarbij iedere verantwoording moet leiden tot verbetering.

Technische kant is leidend

In 2010 hebben alle sectoren in het onderwijs een Wet en een Code die onder andere beide voorschrijven dat er een scheiding moet zijn tussen de functies van (intern) toezicht houden en besturen. 

Voor mij is dit een belangrijk moment: zoals zo vaak bij dit soort ontwikkelingen zie ik hoogleraren en governancegoeroes voornamelijk aan de technische kant van governance denken. 

Maar wat de mensen dan moeten doen, wordt naar mijn mening in het ongewisse gelaten. Dat is voor mij aanleiding geweest het model “drie kanten van educational governance in balans” te ontwikkelen en ermee te gaan experimenteren. In het sprookje hanteert Charmkela dit model ook. 

Reflectie

  • Wat is de geschiedenis van governance in de context waar jij nu werkt?
  • Welke mijlpalen zijn te markeren? En wat betekent dit voor de situatie van nu?
  • Welke momenten van balans en disbalans ben jij in de geschiedenis op het spoor gekomen? En welke betekenis hebben deze momenten in het hier en nu?

Lees terug!

Lees Carla’s sprookje helemaal.
Lees hier de proloog en de toelichting daarop

 

Nieuwe reactie inzenden