U bent hier

Regionale samenwerking nodig bij aanpak lerarentekort? Ja, maar let op!

Een landelijke taskforce is nodig bij de aanpak tegen het leraren- en schoolleiderstekort. Zo blijkt uit het rapport Samen sterk voor ieder Kind. In deze blog staat Berend Kamphuis, voorzitter CvB bij Verus, specifiek stil bij de aanbeveling om de vrijblijvendheid van de regionale samenwerking af te halen. 

Ook gaat hij in op de maatschappelijke opdracht om de regionale samenwerking te verankeren in het stelsel. 

De huidige aanpak van het lerarentekort volstaat niet. Daarom moet een taskforce leiden tot meer slagkracht, intensievere regionale samenwerking en minder versnippering. Zo kan de begeleiding van startende leerkrachten en zij-instromers beter. Ook zouden de lerarenopleidingen hun aanbod meer kunnen afstemmen op de doelgroep. De vrijblijvendheid moet bovendien verdwijnen uit de samenwerking tussen de regio’s en eigenlijk het hele onderwijs. Dat zijn een paar van de belangrijkste adviezen uit het rapport ‘Samen sterk voor ieder kind’ van Merel van Vroonhoven. Zij werd vorig jaar door onderwijsminister Arie Slob (Onderwijs) aangesteld om te duiden wat er beter kan in de aanpak van het lerarentekort. 

Volgens Van Vroonhoven moet er op korte termijn een wettelijke maatschappelijke opdracht worden geformuleerd: “een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor besturen en opleidingen in een regio voor voldoende en goed opgeleid onderwijspersoneel.” Het fenomeen ‘wettelijke maatschappelijke opdracht’ is niet nieuw en bestaat ook in het kader van passend onderwijs. Schoolbesturen hebben de opdracht om een passend onderwijsaanbod te bieden voor alle leerlingen met een ondersteuningsvraag. 

Publieke belang

Het pleidooi om een maatschappelijke opdracht vast te leggen om het lerarentekort aan te pakken klinkt logisch. Schoolbesturen moeten immers het publieke belang dienen en zullen deze opdracht ook herkennen. Het is bijvoorbeeld vastgelegd in de Code Goed Onderwijsbestuur van het voortgezet onderwijs: “Elk schoolbestuur vult vanuit de maatschappelijke opgave die zij mag vervullen, de kernfuncties van het onderwijs (…) en geeft hier uitvoering aan”. Voldoende en goed opgeleid onderwijspersoneel is natuurlijk essentieel om de kernfuncties van het onderwijs te kunnen uitvoeren. Het kan daarmee onderdeel zijn van de maatschappelijke opdracht van het onderwijs. 

Tegelijk weten schoolbesturen ook dat niet het maatschappelijke, maar het pedagogische de intrinsieke opdracht van het onderwijs is. Dit komt goed tot uiting in de Code Goed Bestuur van het primair onderwijs. Daar staat dat bevoegde gezagsorganen binnen het primair onderwijs maatschappelijke instellingen zijn met een specifieke verantwoordelijkheid. Zij verzorgen de vorming en opleiding van kinderen in de leeftijd van 4 tot circa 12 jaar en zorgen voor kwalitatief goed onderwijs. De pedagogische opdracht van het onderwijs is niet een kwestie van keuze: alsof je als school of professional kunt beslissen of je het wel of niet wilt doen. Dat zou net zo vreemd zijn als te stellen dat het aan artsen en verpleegkundigen is om te definiëren wat de bedoeling is van hun ziekenhuis.

Voorbeeld: Praktijkpabo

Ik waarschuw daarom voor een te eenzijdige focus op de maatschappelijke opdracht om het lerarentekort aan te pakken. De maatschappelijke én pedagogische opdracht zijn allebei van belang: ze veronderstellen elkaar. Met andere woorden, de intrinsieke, pedagogische opdracht ís de kern van de maatschappelijke opdracht. De maatschappelijke opdracht is niet iets wat erbij komt. De maatschappelijke opdracht was er altijd al. Het pedagogisch karakter van die opdracht brengt met zich mee dat de school een eigen, autonome ruimte nodig heeft. Vanuit deze eigen autonome pedagogisch en levensbeschouwelijk gekleurde ruimte vloeit de opdracht voort om samen als besturen en opleidingen op te trekken in een regio om voor voldoende en goed opgeleid onderwijspersoneel te zorgen. 

En dat is hard nodig. Het lerarentekort is urgent, evenals het sluipende schoolleiderstekort. Gelukkig zie ik schoolbesturen die al concrete, betekenisvolle stappen hebben gezet. Zoals de vijf basisschoolbesturen uit Zeeland, Goeree-Overflakkee en de Hoeksche Waard, die samen met de Christelijke Hogeschool Ede een Praktijkpabo gestart zijn. Deze samenwerking vind ik een goed voorbeeld van schoolbesturen die vanuit hun pedagogische opdracht de handen ineen geslagen hebben om het lerarentekort het hoofd te bieden. Tegelijk is de analyse van Merel van Vroonhoven dat er meer nodig is herkenbaar en daarom zijn vervolgacties nodig. 

Technisch-bestuurlijk verband

Ik pleit in de uitwerking van deze vervolgacties om samenwerking te intensiveren voor een zelf-verstaan van christelijke scholen dat wegblijft uit het onvruchtbare dilemma ‘vasthouden aan je eigen identiteit of verwateren’. Want op basis van dat dilemma kun je het nooit goed doen: of je verstaat de tekenen van de tijd niet vanuit je verzuilde bastion, of je verstaat de tekenen wel maar verwatert daardoor. Deze tijd vraagt om openheid, nieuwsgierigheid, verrassende coalities, gedurfde verbindingen. Samenwerking is nodig vanwege de vraagstukken die er liggen, maar samenwerking dient er ook toe om de nieuwe configuraties van maatschappelijke pluriformiteit te ontdekken. Dat is krachtiger en biedt meer perspectief dan op te gaan in een nieuw technisch-bestuurlijk verband. 

Nieuwe reactie inzenden

Berend Kamphuis

voorzitter college van bestuur
0348 74 44 01