U bent hier

Angst lijkt de drijfveer voor opgelegde burgerschapsvorming

Is een samenleving gebaat bij alleen maar brave burgers? Afgelopen maandag vertelde ik in Trouw waarom het burgerschapsonderwijs zoals dat wordt geregeld in het Wetsvoorstel burgerschap, teveel draait om disciplinering en dressuur. Ik leg je graag uit waarom dat een kwalijke zaak is.

Het wetsvoorstel waarover de Tweede Kamer zich nu moet gaan buigen, schrijft niet alleen voor dat het onderwijs het burgerschap bevordert, maar ook waar het burgerschapsonderwijs over moet gaan. Het voorstel is gebaseerd op de onterechte veronderstelling dat scholen onvoldoende in staat zijn om op een inhoudelijk robuuste en planmatige manier vorm te geven aan burgerschapsonderwijs. Bovendien lijkt angst voor extremisme de drijfveer te zijn. En angst is een slechte raadgever.

Normatief

De minister baseert zich op onderzoeken van de Inspectie als hij stelt dat scholen onvoldoende en ontoereikend aandacht voor burgerschap hebben. Ik ben niet overtuigd van de juistheid van deze veronderstelling, die de basis vormt van dit wetsvoorstel. De door de Inspectie gehanteerde methode reduceert burgerschap tot vooraf gedefinieerde ‘juiste’, ‘correcte’ opvattingen en houdingen. Zo wordt onderwijs een proces van voortbrenging van (deze) opvattingen. Een normatieve keuze, die betwistbaar is.

Niet opleggen maar aanboren

Verus heeft een andere opvatting van burgerschapsonderwijs. Burgerschapsonderwijs is in de eerste plaats als een pedagogische opdracht. Dat betekent dat het onderwijs zich minder richt op ‘juiste’ en ‘correcte’ opvattingen en houdingen maar op het aanboren van engagement met betrekking tot de democratie, en het voelbaar maken van het belang van fundamentele democratische en rechtsstatelijke waarden, zodat toe-eigening op een fundamenteel-persoonlijk niveau mogelijk wordt.

Deze opvatting leidt tot een minder negatieve waardering van de kwaliteit van het huidige burgerschapsonderwijs. Ook biedt het scholen een rijker en breder handelingsrepertoire, omdat de diepte en complexiteit van burgerschap van meet af aan (meer) erkend wordt en onderdeel van het onderwijs is.

Scholen moeten de ruimte hebben om te kiezen voor een andere benadering dan de (impliciet-) dominante, socialiserende/disciplinerende benadering van het Wetsvoorstel burgerschap.

Planmatigheid en angst

In het debat over burgerschapsonderwijs zijn twee lijnen waar te nemen. De ene lijn is die van de systematiek en planmatigheid van het burgerschapsonderwijs, vanaf ongeveer het jaar 2000. De andere, veel recentere lijn is die van de angst voor extremisme.

Beide lijnen worden in het wetsvoorstel niet als zodanig onderscheiden, terwijl ze wel elk afzonderlijk van betekenis zijn. Verus pleit ervoor dat de minister zich expliciet uitspreekt over de vraag welk motief wanneer een rol speelt. In het bijzonder is dat van belang in het geval van de zogenaamde zorgplicht. Het lijkt erop dat nu alle scholen te maken krijgt met een zorgplicht waarvoor de aanleiding te vinden is bij slechts een klein aantal scholen.

Dat is niet alleen niet-proportioneel, ze plaatst het huidige burgerschapsonderwijs op voorhand in een somberder daglicht dan de werkelijkheid rechtvaardigt.

Beeld @MDT_Guido_Arnhem

Lees ook

Reacties

Door Koos Bezemer op 16 jan 2020 | 16:31

De insteek van de overheid c.q. de Inspectie is al vrij lang gericht op de zorgplicht. In 2010 kregen we als studenten,die de MLE opleiding deden bij Windesheim, een college van een hoofdinspecteur van Inspectie. Daar werd heel duidelijk aangegeven dat alle scholen werden ingeschakeld m.b.t. burgerschap onderwijs omdat vooral Islamitische scholen weinig inzet pleegden op dit gebied. Nu wordt zichtbaar in de afgelopen 10 jaar dat we in Nederland liever aan symptoom bestrijding werken dan werkelijk het probleem te adresseren. Over het niveau van onderwijs hoor en lees ik niets. Wel raar met de huidige tekorten op leerkracht gebied. Maat dat voelt misschien als snijden in eigen vlees voor de Inspectie.

Nieuwe reactie inzenden

Berend Kamphuis

voorzitter college van bestuur
0348 74 44 01