U bent hier

Hoeveel scholen krijgen kleine scholentoeslag?

De vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs treedt naar verwachting per 2023 in werking. De teldatum verschuift in dat geval van 1 oktober naar 1 februari. Doordat basisscholen tijdens deze maanden gemiddeld iets groeien, wordt de grens voor de ‘kleine scholentoeslag’ iets opgerekt van 144 leerlingen naar 149 leerlingen. Veel impact heeft deze verschuiving naar verwachting niet. Maar: hoeveel scholen maken nu eigenlijk aanspraak op deze toeslag? En is het aandeel kleine scholen door de jaren veranderd? Verus zocht het uit.

Één op de drie scholen kleiner dan 145 leerlingen

In schooljaar ‘20/’21 maakten in totaal 2.019 vestigingen aanspraak op de kleine scholentoeslag. Deze toeslag is progressief van aard: naarmate de school kleiner is, des te hoger de toeslag. Ook kleine nevenvestigingen ontvangen deze toeslag (zij het iets lager dan een hoofdvestiging). In totaal is met de kleine scholentoeslag circa €150 miljoen euro gemoeid. Hoewel het aantal scholen door sluitingen en fusies de afgelopen tien jaar drastisch daalde (van meer dan circa 7.000 naar circa 6.250 scholen), bleef de schaalgrootte op de scholen vrijwel onveranderd. Het aantal basisscholieren kromp immers ‘mee’. Gemiddeld waren vestigingen in het basisonderwijs in het afgelopen schooljaar 222 leerlingen groot, tegenover 219 leerlingen in ‘10/’11.

Niet alleen de gemiddelde schoolomvang bleef vrijwel onveranderd, ook de verdeling naar schoolgrootte is stabiel (Figuur 1). In ‘20/’21 was 32 procent van de vestigingen (oftewel 2.019 scholen) minder dan 145 leerlingen groot, vrijwel identiek aan schooljaar ‘10/’11 toen het 33 procent betrof (2.300 scholen). Ook het aandeel scholen met minder dan 50 leerlingen is vrijwel gelijk gebleven: 4 procent in ‘20/’21 (oftewel 237 scholen) tegenover 5 procent in ‘10/’11 (343 scholen). Onder de kleine scholen vallen ook recent gestarte scholen die nog moeten volgroeien.

Figuur 1 - Omvang basisschoolvestigingen naar schooljaar (bron DUO, bewerking Verus)

Verusleden vergelijkbaar met landelijk

De gemiddelde schoolomvang én de verdeling naar schoolgrootte is onder scholen die aangesloten zijn bij Verus vergelijkbaar met het landelijke beeld. Gemiddeld is een basisschoolvestiging die aangesloten is bij Verus (per ‘20/’21) 219 leerlingen groot, tegenover een landelijk gemiddelde van 222 leerlingen. Ook het aandeel scholen kleiner dan 145 leerlingen is vergelijkbaar en betreft zowel bij leden als niet-leden één derde.

Grote verschillen naar denominatie

Als we inzoomen op de verschillende denominaties in het basisonderwijs, dan volgen wel opvallend grote verschillen. Zo volgt uit Figuur 2 dat meer dan de helft (56%) van de Gereformeerd Vrijgemaakte scholen in ‘20/’21 kleiner was dan 145 leerlingen, maar deze scholen zijn zelden (1%) kleiner dan 50 leerlingen. Ook in het Openbaar onderwijs zien we relatief vaak scholen die kleiner zijn dan 145 leerlingen (39%), evenals in het Protestants-Christelijk onderwijs (34%). Openbare scholen zijn het vaakst zeer klein: 6 procent is kleiner dan 50 leerlingen.

Figuur 2 - Omvang basisschoolvestigingen naar denominatie, schooljaar '20/'21 (Bron DUO, bewerking Verus)

Het verschil in schaalgrootte naar denominatie volgt ook uit de gemiddelde leerlingaantallen. Waar vestigingen in het basisonderwijs (per ‘20/’21) gemiddeld 222 leerlingen groot zijn, is dit onder Gereformeerd Vrijgemaakte basisscholen 156 leerlingen. Het gemiddelde leerlingaantal op Openbare en Protestants-Christelijke vestigingen ligt rond de 210. Rooms-Katholieke vestigingen zijn gemiddeld ruim 240 leerlingen groot. Vestigingen binnen het Interconfessioneel (280 leerlingen) en Algemeen Bijzonder basisonderwijs (254 leerlingen) zijn gemiddeld het grootst.

Veel regionale verschillen

Naast verschillen naar denominatie zijn er ook forse verschillen in de omvang van basisscholen naar provincies. In de provincies Drenthe, Friesland, Groningen en Zeeland zijn maar liefst zes op de tien vestigingen kleiner dan 145 leerlingen, terwijl dit in Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland slechts twee op de tien scholen betreft. In Drenthe en Friesland is zelfs één op de tien vestigingen kleiner dan 50 leerlingen, vaak gaat het om de laatste school in het dorp.

Figuur 3 - Omvang basisschoolvestigingen naar provincie, schooljaar '20/'21 (Bron DUO, bewerking Verus)

Is de schoolgrootte belangrijk?

Hoewel vaak wordt gesuggereerd dat kleine scholen per definitie minder onderwijskwaliteit kunnen bieden, is dat zéker niet zonder meer het geval (zo is bijvoorbeeld hier en hier te lezen). Scholen en schoolbesturen kunnen en moeten daarin dus hun eigen (lastige) afwegingen maken. Deze afwegingen zullen gedreven worden door onderwijskwalitatieve argumenten, maar ook door omgevingsfactoren (welke rol speelt de school in de gemeenschap?), door financiële overwegingen (is het financieel haalbaar om de school voort te zetten?) en wettelijke aspecten (kan de school voortbestaan gezien de opheffingsnormen?).

Bij het (bestuurlijke) kleine scholenbeleid komt dus nogal wat kijken. Maar u staat niet alleen: Verus helpt u door onze brede expertises te combineren op juridisch, organisatiekundig, levensbeschouwelijk, financieel en analytisch terrein. Of het nu gaat om de vorming van het strategische (kleine) scholenbeleid of om de concrete uitwerking van bijvoorbeeld een fusietraject: onze adviseurs staan voor u klaar.

Nieuwe reactie inzenden

Ardi Mommers

analist / adviseur bedrijfsvoering en infrastructuur
0348 74 41 15