U bent hier

Staat van het Onderwijs bevestigt belang van thuisbezoek

Vorige week verscheen de 200e Staat van het Onderwijs. Een publicatie die opnieuw veel stof deed opwaaien. Nu waren het vooral de grote verschillen tussen scholen die volop aandacht kregen. Een minder in het oog springend onderwerp was het grote verschil in schoolloopbaan tussen kinderen met vergelijkbare resultaten op de eindtoets, maar met verschillende achtergronden.

In een achterliggend technisch rapport over gelijke kansen wordt beschreven wat de effecten op de schoolcarrière van leerlingen zijn van:

  • het opleidingsniveau van de ouders
  • wel of geen migratieachtergrond 
  • de mate van stedelijkheid

Vorig jaar werd al duidelijk dat er verschillen zijn in de advisering van scholen bij de overgang naar het voortgezet onderwijs. In bepaalde regio’s worden leerlingen bij een bepaalde eindtoetsscore veel vaker hoger geadviseerd dan in andere regio’s. 

Die regio’s liggen allemaal in het westen van het land. Daar tegenover zijn er regio’s waar het omgekeerde het geval is: in Oost-Groningen, Zuidoost-Drenthe, de Achterhoek en Noord-Limburg wordt lager geadviseerd dan op grond van de eindtoets mag worden verwacht. Zeker in het laatste geval mag de vraag worden gesteld hoe dit komt. 

Wat zijn de verwachtingen en ambities van docenten, ouders en leerlingen. Ik denk dat een goede relatie tussen school en thuis noodzakelijk is om hier meer helderheid te krijgen.

Maar ook als leerlingen eenmaal op het voortgezet onderwijs zitten, gebeuren er opmerkelijke dingen. Dan zijn er grote verschillen te zien in de doorstroom van de leerlingen naar de derde klas. Waar bij ouders met een wo-opleiding in slechts 5% van de gevallen sprake is van afstroom van één niveau of meer, gebeurt dat bij ouders met een mbo1-opleiding of lager in 15% van de gevallen. En hoewel zittenblijven in de afgelopen jaren is afgenomen, blijven leerlingen met ouders met een mbo1-opleiding of lager gemiddeld toch beduidend vaker zitten. 

Thuisbezoek tegen kansenongelijkheid

Vorig jaar vroeg Verus aandacht voor het thuisbezoek. Niet om alles uit leerlingen te halen wat erin zit, maar vanwege het belang van de school als een gemeenschap tussen ouders, leerlingen en leraren. Een gemeenschap waar men elkaar kent en niet alleen contact zoekt als er problemen zijn. 

Wanneer je de bevindingen van de inspectie op je in laat werken, dan kan je wat mij betreft geen andere conclusie trekken dan dat thuisbezoek een middel is om deze kansenverschillen te verkleinen. Ik heb niet de illusie dat die verschillen hiermee volledig zullen verdwijnen. Maar ik denk wel dat een beter contact tussen school en thuis, zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs, kan bijdragen aan een betere plaatsing in het voortgezet onderwijs en onnodige afstroom kan verminderen.

Reacties

Door Tineke Geertsma (niet gecontroleerd) op

Op onze school brengen de leerkrachten van de groepen 1-2 standaard een thuisbezoek aan de kinderen wanneer ze 6-8 weken op school zijn. Zo'n bezoek na schooltijd, wanneer het kind ook thuis is, zorgt voor een goede start op de basisschool en versterkt het contact tussen ouders, school en kind. Het vormt de basis van onze driehoek ( ouder-school-kind) in samenwerking met de ouders en werkt mee aan het scheppen van vertrouwen in elkaar.
Bovendien vinden kinderen het heel interessant en spannend om juf thuis te ontvangen. De leerkracht leert op deze manier nog meer over de achtergrond van de kinderen. Bij alle ouders wordt een thuisbezoek afgelegd, het bezoek duurt niet langer dan 2 kopjes koffie of thee. Wij doen dit al zo'n tien jaar op onze Sint MIchaëlschool in Harlingen en zien nog steeds de meerwaarde.

Nieuwe reactie inzenden